92 procent van de beslissingen over afwijkende PAS-referentie is positief
nieuws92 procent van de Vlaamse veehouders die een afwijkende berekening van hun PAS-referentie 2030 aanvroegen, kreeg daarvoor groen licht. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van Vlaams minister van Landbouw en Omgeving Jo Brouns (cd&v) op vraag van Vlaams parlementslid Arnout Coel (N-VA). Eind september stond de teller op 1.285 aanvragen, waarvan er 870 waren afgehandeld. De meeste aanvragen komen van veehouders die door investeringen tijdelijk minder dieren hielden in het referentiejaar 2021.
Sinds de inwerkingtreding van het stikstofdecreet weten Vlaamse veehouders dat 2021 een zeer bepalend jaar was. Ten opzichte van de gemiddelde veebezetting in 2021 wordt hun PAS-referentie 2030 namelijk berekend. Voor bedrijven waar de veebezetting dat jaar uitzonderlijk laag lag, pakt dit echter niet zo voordelig uit. Daarom voorzag de Vlaamse regering in het stikstofdecreet een uitzonderingsregeling.
Zo kunnen veehouders die in 2021 door overmacht tijdelijk minder dieren hielden, een afwijkende berekening aanvragen. Ook bedrijven die na 2016 investeerden en daardoor tijdelijk een lagere veebezetting hadden, bijvoorbeeld door de bouw van een nieuwe stal, komen in aanmerking. Daarnaast geldt de regeling ook voor bedrijven die na 2016 een vergunning kregen om hun aantal dierplaatsen uit te breiden, of die pas na 2021 een vergunning verkregen.
Om elke aanvraag te beoordelen werd de Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie (CAPAS) opgestart. De commissie kon het werk echter pas ruim een jaar na het stikstofdecreet aanvatten. Daardoor hadden veehouders minder tijd om hun aanvraag in te dienen dan oorspronkelijk gedacht. Dit vormde onder meer een probleem bij de adviesbureaus. De termijn werd uiteindelijk verlengd van september 2026 tot 31 december 2027.
1.285 aanvragen
Op 23 september 2026 stonden er 1.285 aanvragen om een afwijkende berekeningsmethode te mogen hanteren op de teller bij CAPAS. Bij 870 dossiers werd al een definitieve beslissing aan de exploitant meegedeeld. Dat liet Vlaams minister van Landbouw en Omgeving Jo Brouns (cd&v) weten op vraag van Vlaams parlementslid Arnout Coel (N-VA). De gemiddelde doorlooptijd voor een dossier, rekening houdend met ontwerpbeslissingen en definitieve beslissingen, bedraagt zo’n 100 dagen.
0
1.285 Aanvragen voor een afwijkende berekeningsmethode van de referentiesituatie 2021 ingediend0
870 Aanvragen kregen een definitieve beslissing0
803 Aanvragen kregen een gunstige definitieve beslissing92 procent gunstig
Van deze 870 dossiers kregen 803 dossiers een gunstige definitieve beslissing. 60 kregen een ongunstige beslissing en 7 dossiers werden opnieuw ingetrokken. Uit de cijfers blijkt dat de overgrote meerderheid een afwijkende berekeningsmethode aanvraagt omdat ze investeringen hadden gedaan en daardoor een lagere veebezetting hadden. Slechts 49 van de 870 aanvragen kwamen vanuit de overmachtssituatie. Geen enkele beslissing was in het kader van een aanvraag rond vergunningen na 2021 met een nulbezetting in 2021.
Coel vroeg de minister ook wat de voornaamste weigeringsgronden waren van de ongunstige beslissingen. Maar volgens de minister is het niet mogelijk om op een gestructureerde manier na te gaan wat deze waren. “Dit kan te maken hebben met de reden die wordt ingeroepen om in aanmerking te komen voor een afwijkende berekeningsmethode, welke afwijkende berekeningsmethode wordt aangevraagd, fouten in de berekeningen, of het feit dat er geen verschil van minstens zeven procent bestaat tussen de referentiesituatie 2021 volgens de standaardberekeningsmethode en de referentiesituatie 2021 volgens de afwijkende berekeningsmethode”, geeft de minister mee.