Zelfde melkveestal, zelfde meetprotocol, andere ammoniakuitstoot
nieuwsHoeveel ammoniak een melkveestal uitstoot, hangt niet alleen af van de stal zelf, maar ook van de manier waarop die uitstoot wordt gemeten. Een nieuw onderzoek van ILVO en de Nederlandse onderzoeksinstelling WLR toont aan dat zelfs dezelfde meetmethoden uiteenlopende resultaten kunnen opleveren. De onderzoekers pleiten daarom voor duidelijkere en beter afgestemde meetrichtlijnen.
De laatste jaren wordt in Vlaanderen en Nederland veel aandacht besteed aan onderzoek en ontwikkeling voor het betrouwbaar bemeten van emissies uit natuurlijk geventileerde stallen. Vorig jaar maakte ILVO de resultaten bekend van een onderzoek waarbij de ammoniakuitstoot in vier melkveestallen een jaar lang continu werd gemeten met een zelfontwikkelde meetmethode. Daaruit bleek dat koeien gemiddeld meer ammoniak uitstoten dan uit de traditionele metingen die via het VERA-meetprotocol naar voren komen.
In een nieuw onderzoek werd nu nagegaan in welke mate de directe meetmethode van ILVO vergelijkbare resultaten oplevert als de indirecte meetmethode die Wageningen Livestock Research (WLR) hanteert. “Deze inzichten zijn belangrijk voor de verdere ontwikkeling van nieuwe meetrichtlijnen voor de melkveehouderij, waaraan de onderzoeksinstellingen momenteel werken”, vertelt ILVO-onderzoeker Arnout Declerck.
Om de vergelijking te kunnen maken, pasten de onderzoeksinstituten hun meetmethode toe op vier Vlaamse, natuurlijke geventileerde melkveestallen. ILVO testte zowel de directe meetmethode als de indirecte methode. WLR voerde metingen uit op dezelfde stallen met de indirecte methode. Deze indirecte methode is de tracergas ratiomethode, zoals voorgeschreven in het huidig VERA-meetprotocol. Ook de meetmethode van de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) werd in het onderzoek opgenomen. Al staat deze methode nog in de kinderschoenen.
Wat zeggen de resultaten?
Declerck geeft mee dat de gevonden verschillen tussen de meetmethodes van ILVO en WLR relatief klein zijn, vanuit onderzoeksperspectief. “Toen we startten aan het onderzoek, dachten we dat de verschillen eigenlijk veel groter zouden zijn, doordat de methoden zo fundamenteel met elkaar verschillen. De verschillen komen vooral naar voren bij de dagmetingen, wanneer beide methoden op dezelfde dag worden toegepast en de resultaten met elkaar worden vergeleken. Maar als je op lange termijn kijkt, vallen de verschillen op emissieniveau, afhankelijk van de stal, nog mee”, kadert Declerck de bevindingen.
De resultaten geven aan dat de indirect bepaalde ammoniakemissies van WLR voor alle stallen boven de emissieresultaten van ILVO liggen. “Deze afwijking kan grotendeels worden toegeschreven aan verschillen in kalibratiestrategie, de uitvoering van de standaard referentiemethode, de positionering van monsternamepunten en modelgebruik”, klinkt het.
Door deze verschillende interpretaties kunnen bij vrijwel dezelfde data toch andere resultaten naar voren komen
Hetzelfde protocol, andere interpretatie
De gemeten ammoniakuitstoot van eenzelfde stal kan dus verschillen naargelang de gebruikte meetmethode. Maar ook wanneer dezelfde indirecte meetmethode werd toegepast, kwamen er verschillende resultaten naar voren. “Daar zit het verschil vooral in de interpretatie van de meetrichtlijn”, aldus Declerck. “Door deze verschillende interpretaties kunnen bij vrijwel dezelfde data toch andere resultaten naar voren komen. Om dat in de toekomst te vermijden, werkt de werkgroep rond de nieuwe meetrichtlijnen aan duidelijkere en transparantere richtlijnen.”
Het toont aan hoe zelfs kleine verschillen in de interpretatie van een meetrichtlijn tot uiteenlopende uitstootcijfers kunnen leiden. Dat kan in de toekomst gevolgen hebben voor de uitstootruimte van Vlaamse melkveehouders, maar ook voor hun concurrentiepositie tegenover collega's in andere Europese landen. Op Europees niveau bestaat immers geen standaardmeetprocedure, waardoor het ene land een andere methode kan hanteren dan het andere. Zo kunnen voor eenzelfde type stal verschillende uitstootcijfers worden vastgesteld. Om zulke verschillen tussen Vlaanderen en Nederland zoveel mogelijk te vermijden, werken beide landen samen aan de ontwikkeling van gelijkaardige meetrichtlijnen.
Welke methode meet nu de emissies het meest correct?
Daar is volgens Declerck geen eenduidig antwoord voor. “Het valt allemaal te zien. Elke meetmethode heeft zijn sterktes en zwaktes. De directe meetmethode van ILVO is vrij arbeidsintensief en minder eenvoudig in plug-and-playgebruik. De methode leent zich meer voor onderzoeksdoeleinden, de indirecte methode daarentegen heeft dan weer de kwaliteit om eenvoudiger de uitstoot van stallen door te meten.”
Bovendien is het onderzoek naar uitstootmetingen zeker ook nog niet afgerond. “Een belangrijk aandachtspunt is bijvoorbeeld het meten van de lucht die de stal binnenkomt”, legt Declerck uit. “Voor het bepalen van die achtergrondconcentratie bestaan er momenteel nog grote verschillen tussen de standaardmeetmethoden in Vlaanderen en Nederland. Zo voerde Nederland om de twee maanden een meting uit, terwijl wij de lucht buiten de stal continu hebben gemeten.”