Vergroeningsmaatregelen gewikt en gewogen
nieuwsJe kan als landbouwer bij de overheid aankloppen om een subsidie aan te vragen voor de aanplant van houtkanten, grasstroken of extensief graslandbeheer. Maar hoeveel natuur- en/of milieuwinst leveren die maatregelen op jouw bedrijf? En is de impact het subsidiebedrag wel waard? UGent-studente Laura Van Vooren schreef er in samenwerking met ILVO en VITO een doctoraat over. “Focus niet op één functie”, zo klinkt het, “Beschouw het hele systeem.”
De Vlaamse overheid voorziet steunmaatregelen voor landbouwers die een houtkant of een grasstrook aanleggen, of aan extensief graslandbeheer doen. De uitgaven van belastinggeld worden verantwoord door het maatschappelijke nut van die investeringen: het creëren van meer biodiversiteit en een veerkrachtig agrarisch ecosysteem. Maar hoe breng je casus per casus in beeld wat die inspanningen precies opleveren? Wat is het gecombineerd effect op zowel de gewasopbrengst, de biodiversiteit als op diverse mogelijke ecosysteemdiensten? Daarover gaat het doctoraatsonderzoek van Laura Van Vooren.
De studente startte met het opsplitsen van het concept ecosysteemdiensten in verschillende meetbare indicatoren, zoals koolstof, water, erosiebestrijding, insecten en opbrengst. Een eerste logische vaststelling is dat de exacte verhouding tussen opbrengstverlies, biodiversiteit en ecosysteemdiensten sterk mee bepaald wordt door bijvoorbeeld de ligging of afmetingen van de houtkanten of grasstroken, of door het type graslandbeheer. “Toch is de grootteorde zeker richtinggevend voor wie in de toekomst een kosten-baten afweging wil maken”, zo klinkt het.
In de bestudeerde grasstroken blijkt het gehalte aan bodemkoolstof gemiddeld 25 procent hoger in vergelijking met het aangrenzende akkerbouwperceel. Het oppervlaktewater dat een houtkant verlaat bevat gemiddeld 69% minder stikstof dan het instromende water en 67% minder fosfor. Op dezelfde manier is een grasstrook in staat om 73% fosfor en 76% stikstof uit oppervlaktewater op te vangen, in vergelijking met de gehaltes in het water op de akker.
Daarnaast laat erosie zich volgens de metingen van Van Vooren met gemiddeld 90% reduceren door grasstroken. Een gelijkaardige score is er bij de houtkanten: tot 91% reductie van erosie. Ook op het vlak van insecten en spinnen waren er betekenisvolle effecten. In houtkanten zie je bijvoorbeeld een significante verhoging van de spinnenactiviteit. Spinnen zijn een positieve indicator voor natuurlijke plaagbestrijding en biodiversiteit. Op grasstroken waren zowel het aantal soorten als het aantal plaagbestrijders flink hoger dan op het aanliggende landbouwperceel.
De cijfers bevestigen dat vergroeningsmaatregelen effectief zijn, aldus de onderzoekster. “Maar er is in de praktijk marge om te streven naar een evenwicht in de doelstellingen, voor een zo optimaal mogelijke netto prijs”, aldus Van Vooren. “Er moet met zorg naar de kostenefficiëntie worden gekeken. Eenvoudig vertaald: het inkomensverlies van de landbouwers hoort op een rechtvaardige manier te worden gecompenseerd om belangrijke maatschappelijke baten te realiseren.”
In haar onderzoek adviseert Van Hooren om mogelijke eindproducten zoals houtsnippers of gras zo veel mogelijk te valoriseren om de kostenefficiëntie te verbeteren. Daarnaast moeten landbouwers en landschapsbeheerders meer samenwerken en moeten beleidsmakers minder focussen op één functie, maar evalueren wat de impact is van een hele reeks functies bij het ontwerpen en implementeren van nieuwe vergroeningsmaatregelen.
“Daarnaast is het belangrijk om niet op één functie te focussen”, zo klinkt het advies. “Beter evalueer je wat de impact is op een hele reeks van functies als je een maatregel wilt ontwerpen of implementeren. Zo kan je zoeken naar win-wins en trade-offs vermijden. Even belangrijk is dat een ecosysteemdiensten-kader ook een belangrijke stap is richting een systeembenadering van transities en veranderingen in het landbouwsysteem. Beschouw het volledige systeem.” Voor de landbouwer is er misschien een interessante toepassing op komst: een gebruiksvriendelijke rekentool om een eigen eindbalans van de kosten en de baten te maken op het niveau van het landbouwbedrijf.
Beeld: VLM