"Ruimtebeleid met verschillende kleuren heeft afgedaan"
nieuwsDe Vlaamse ruimtelijke ordening heeft vorm gekregen vanuit een scheidingslogica. Elke bestemming kreeg een andere kleur, met als resultaat een bont lappendeken dat de open ruimte opeet. Gedeelde winsten kunnen een uitweg bieden. Dat denkt Joachim Declerck van Architecture Workroom Brussels. Omdat landbouw 55 procent van de totale Vlaamse oppervlakte inneemt, is het landbouwareaal de uitgelezen hefboom om voor een trendbreuk te zorgen, aldus Declerck, die zijn visie kwam uiteenzetten op de Lokale Voedseldag van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG).
Voor iedereen die op lokaal niveau betrokken is bij beleid voor landbouw, lokale economie, duurzaamheid, ruimte, enzovoort, organiseerde de VVSG een studiedag rond lokaal voedsel. Daarbij kwam ook Joachim Declerck van Architecture Workroom Brussels aan het woord. Hem werd gevraagd om luidop na te denken over een nieuw open ruimtebeleid. “Vandaag vertrekken we steevast vanuit een strikte scheiding tussen de verschillende bestemmingen”, zo stak hij van wal. “We kijken naar de verschillende kleurtjes op de kaart van Vlaanderen en spreken over plattelandsbeleid alsof dat enkel het platteland aangaat.”
Die gescheiden visie heeft tot een stellingenoorlog geleid, zo stelt Declerck vast. Iedereen vecht via zijn belangenvereniging voor zijn eigenbelang – of dat nu landbouw, natuur, industrie, woongebied, of nog iets anders is. “Maar het is een uitzichtloos gevecht. Hoe dan ook, business as asual is geen optie want we zijn onze open ruimte aan snel tempo aan het opeten." Declerck verwijst in die context naar een studie over de exponentiële uitbreiding van het stadsweefsel in Istanbul. Om de watervoorziening van de stad veilig te stellen en landbouwsystemen in stedelijk gebied een kans te geven werd een circulair systeem bedacht waarbij de stad instaat voor de watervoorziening voor landbouw en omgekeerd.
“Fragmentatie en de gescheiden logica die nu heerst moet bestreden worden”, zo klinkt het fel. Daartegenover plaatst Declerck de verwevenheid van verschillende bestemmingen waardoor gedeelde winsten ontstaan. “Vlaanderen en Nederland zijn samen de grootste voedselexporteurs ter wereld, wat cruciaal is om de wereld te voeden. Landbouw heeft hier dus zeker een plaats. Maar dan moeten we wel af van de klassieke hiërarchie die stedelijke ontwikkeling boven landbouw plaatst, en landbouw boven natuur. Die drie sectoren of bestemmingen moeten op een circulaire manier op elkaar worden afgestemd, met maximale aandacht voor synergiën.
Door de klimaatverandering zal dat besef ons steeds nadrukkelijker opgedrongen worden, zo voorspelt Declerck; “Denk maar aan overstromingen. Om die in de toekomst zo veel mogelijk te vermijden moeten we ophouden met beleid te voeren per kleurtje. Je kan landbouw niet loskoppelen van waterbeleid, het waterbeleid hangt samen met de lintbebouwing, enzovoort. In het Nederlandse Brabant werd bijvoorbeeld een systeem uitgedacht dat in staat is om water snel te evacueren en waarbij de talrijke sier- en boomtelers uit de streek een belangrijke rol spelen.
“In Vlaanderen lopen heel wat interessante testprojecten, maar het ontbreekt aan een dominante structuur”, reflecteert Declerck over de situatie bij ons. “Je hebt daarvoor geen allesomvattend masterplan nodig, je kan beter vertrekken vanuit principes. Verschillende van die principes komen aan bod in de pilootprojecten productief landschap. Wat zeker is: 55 procent van de Vlaamse oppervlakte is landbouwgrond en is dus een enorme hefboom om een omkering te realiseren."
In zijn conclusie somt Declerck op hoe er in de toekomst beter beleid kan gevoerd worden. Gebiedscoalities bijvoorbeeld zijn een "nodige én mogelijke doorbraak". Daarnaast is ook een meer programmatische benadering nodig, in plaats van projectmatig. Programma’s moeten de kapstok vormen voor een gestructureerd beleid. Verder stelt Declerck vast dat er ontbrekende schakels bestaan tussen de intenties van het beleid enerzijds en de uitvoering ervan anderzijds. Dat beleid moet concreet zijn én op de juiste schaal opereren. Tenslotte kan de open ruimte, hoe verstandig die ook is ingericht, niet alles oplossen. “Het stoppen van de verharding is daarom van het grootste belang.”