duiding

Rassenproeven bij ILVO

duiding
35.000 beoordelingen vormen toegangsexamen voor gewassen
25 november 2013  – Laatst bijgewerkt om 4 april 2020 15:53

Jaarlijks worden op het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) rassenproeven aangelegd van verschillende landbouwgewassen, en dit in opdracht van het Agentschap voor Landbouw en Visserij. Gemiddeld tien procent van de geteste cultivars wordt op de rassencatalogus toegelaten en ingeschreven. Door steeds hogere eisen te stellen aan de standaardrassen en criteria te hanteren die inspelen op duurzaamheid (kwaliteit, ziekteresistentie, oogstzekerheid) worden enkel de beste rassen in de catalogus opgenomen. ILVO toont in deze geVILT hoe nieuwe rassen het tot volwaardig uitgangsmateriaal voor onze landbouw kunnen schoppen.

Vooraleer een ras in de handel mag gebracht worden, moet het slagen voor de cultuur- en gebruikswaarde (CGW) rassenproeven. Tijdens deze rassenproeven worden nieuwe rassen vergeleken met de best bestaande rassen. Wanneer een nieuw ras even goed of beter scoort dan deze rassen, wordt het goedgekeurd en ingeschreven op de nationale rassenlijst.

Alleen rassen opgenomen op deze Belgische rassenlijst - of bij uitbreiding op de EU-lijst - mogen commercieel verhandeld worden. ILVO geeft jaarlijks een beschrijvende en aanbevelende lijst uit waarin landbouwers tijdens hun rassenkeuze waardevolle informatie terugvinden over rassen toegelaten op de Belgische rassenlijst.

De kwaliteitseisen die aan een ras op de catalogus gesteld worden, zijn overigens uiterst relevant in het kader van de recente discussies omtrent het uitgangsmateriaal voor onze landbouw. Dit najaar uitte de Indiase activiste Vandana Shiva tijdens haar bezoek aan Vlaanderen scherpe kritiek op de nieuwe wetgeving rond landbouwzaden waaraan Europa momenteel werkt. Volgens Shiva zal deze regelgeving, die momenteel nog in de ontwerpfase zit, een afkalving van de biodiversiteit én van de diversiteit van ons voedselaanbod in de hand werken. Ze vreest dat de voorstellen die klaarliggen de greep van de agro-industrie op de productie en handel in zaaigoed nog zal verstevigen.

Maar vanuit het onderzoek en beleid komen er ook tegenstemmen. Zo zou de nieuwe wetgeving soepele regels hanteren voor de registratie van rassen die met genetische erosie bedreigd zijn. En dat komt de biodiversiteit nu net ten goede. Daarnaast is er ook sprake van robuuster uitgangsmateriaal: volgens de nieuwe voorschriften moet het beschikbare assortiment aangepast zijn aan onze ecologische omgeving en aan de uiteenlopende land- en tuinbouwomstandigheden.

Bovendien wordt er rekening gehouden met de klimaatverandering en de handhaving van de agro-biodiversiteit. Ruime keuzemogelijkheden en verbeterde testvoorschriften moeten niet alleen een duurzame gangbare landbouw garanderen, maar ook meer mogelijkheden opleveren voor het produceren van geschikt zaaigoed voor de biologische landbouw. En een goede registratieregelgeving moet ervoor zorgen dat het veredelingsonderzoek en de creatie van nieuwe rassen verder gestimuleerd worden. Die registratie maakt het namelijk mogelijk dat een billijke vergoeding kan gevraagd worden voor het intensieve en moeizame veredelingswerk.

Goede percelen maken betrouwbare proeven
Tot daar de discussie. Maar laten we nu even kijken hoe nieuwe rassen het tot volwaardig uitgangsmateriaal voor onze landbouw kunnen schoppen. Want de weg naar de rassenlijst is geplaveid met proeven die niets aan het toeval overlaten.

In Vlaangraan.ziekte2_ILVO.gifderen liggen de rassenproeven verspreid in de verschillende landbouwstreken, van kustpolder tot de Kempen. Afhankelijk van de soort worden zes tot tien proeven aangelegd op verschillende locaties in Vlaanderen (Merelbeke, Geel, Poperinge, Bassevelde) en Wallonië (uitgevoerd door het CRA-Gembloux). Alle werkzaamheden in Vlaanderen worden gecoördineerd vanuit ILVO-Plant-Teelt & Omgeving in Merelbeke. Daar voert men het CGW-onderzoek uit van alle landbouwgewassen waarvoor er een aanmelding is voor inschrijving, met uitzondering van suikerbieten. De meeste proeven worden aangelegd voor kuil- en korrelmaïs, raaigrassen, klaver, voederbiet, cichorei, vlas en granen.

In het voorjaar worden geschikte percelen gezocht en afspraken gemaakt met landbouwers. Voor een rassenproef is een homogeen perceel heel belangrijk. Als de onderzoekers dan verschillen gaan waarnemen, dan zullen die met zekerheid aan genetische rasverschillen te wijten zijn en niet aan nevenfactoren zoals structuurverschillen in de bodem of een verschil in bemesting.

Gewikt, geoogst en gewogen
Een rassenproef bestaat uit kleine veldjes (10-20m²). Op elk veldje wordt een ander ras gezaaid. Voor de uitzaai wordt een speciale proefveldzaaimachine gebruikt: alle rassen worden aan eenzelfde zaaidichtheid uitgezaaid en er is geen vermenging van zaden.

rassenproef.mais2_ILVO.gifNa opkomst worden de rassenproeven van nabij opgevolgd. Eén van de eerste taken op de maïsproefvelden is het tellen van het aantal planten. Op ieder veldje moeten exact evenveel planten staan. Een teveel aan planten wordt weggekapt. Bij een tekort aan planten (door niet optimale opkomst vanwege temperatuur, neerslag, ziekteaantasting enz.) wordt de rassenproef ongeldig verklaard. Tijdens het groeiseizoen worden tal van waarnemingen uitgevoerd. Wintergranen krijgen scores voor onder meer wintervastheid en de mate waarin de plant uitstoelt. Het aantal aren per m² wordt geteld en regelmatig zijn er ziektewaarnemingen.

ILVO.onderzoek2_ILVO.gifDe opbrengstbepaling op het einde van het groeiseizoen is wel het belangrijkste en omvangrijkste werk: elk veldje wordt afzonderlijk geoogst en gewogen. Bij de kuilmaïs gebeurt dat met een 3-rijige proefveldhakselaar. Het gewicht van het totale veldje wordt opgeslagen op de computer die zich in de tractor bevindt. Achteraan de tractor wordt een monster van ongeveer 1,5 kg genomen. Dit staal wordt opgevangen in een luchtdoorlatend zakje, gelabeld, gewogen en overgebracht naar Merelbeke om te drogen. Aan de hand van het gewicht van de droge stalen wordt het vochtgehalte op het ogenblik van oogst berekend. De droge stalen worden gemalen over een 1 mm zeef en in het labo van ILVO-Plant-Teelt & Omgeving wordt de voederwaarde nauwkeurig onderzocht.

Bicichorei2_ILVO.gifj de oogst van industriële cichorei worden de wortels gewogen op het veld. Een deel wordt gewassen, nogmaals gewogen, gemeten en beoordeeld op koprot, flankrot en aanwezigheid van holle en vertakte wortels. Per ras wordt een representatief deel van de wortels gemalen en geanalyseerd in het labo op inulinegehalte.

Tijdens de wintermaanden worden alle gegevens van de rassenproeven verwerkt en samengevat in een rapport. De nieuwe rassen worden gedurende twee of drie opeenvolgende jaren onderzocht in de vergelijkende rassenproeven. Op basis van een samenvatting over de jaren valt de beslissing welke rassen toegelaten worden tot de nationale lijst en welke geweigerd worden. Zo komen alleen de beste rassen op de markt voor de landbouwers.

Tot slot: in 2013 werden ongeveer 3.400 veldjes uitgezaaid op 45 proefvelden verspreid over Vlaanderen. Tijdens het groeiseizoen vonden 10 tot 15 waarnemingen per veldje plaats (samen een totaal van meer dan 35.000 beoordelingen!) en tegen eind november waren ongeveer 6.500 veldjes geoogst. Verder werden evenveel monsters gedroogd en moeten er nog heel wat labo-analyses en voorbereidingen gebeuren. Het zijn maar enkele duizelingwekkende cijfers die tonen dat dit alles een nauwgezet werk is dat de dagelijkse inzet vraagt van een zeer gemotiveerd team.

Gerelateerde artikels

Er zijn :newsItemCount nieuwe artikels sinds jouw laatste bezoek