Impact PDPOII op biodiversiteit was verwaarloosbaar
nieuwsDe impact van het Europese plattelandsbeleid tussen 2007 en 2013 op de biodiversiteit was verwaarloosbaar. Dat blijkt uit een evaluatie van een extern studiebureau in opdracht van de Vlaamse overheid. De impact werd onderzocht aan de hand van twee indicatoren: het voorkomen van akker- en weidevogels en de oppervlakte landbouwgrond met hoge natuurwaarde. In beide gevallen werden nauwelijks of geen wijzigingen vastgesteld.
Daar waar een evaluatierapport van PDPOII aantoont dat het Europees plattelandsbeleid een gunstige invloed had op de milieuprestaties van de landbouwsector, is dat niet helemaal het geval voor de biodiversiteit. Dat blijkt uit het evaluatie-onderzoek naar twee indicatoren waar het Vlaamse plattelandsbeleid een invloed op heeft, namelijk het voorkomen van akker- en weidevogels en de oppervlakte ‘High Nature Value Farmland’, of landbouwgrond met hoge natuurwaarde.
Wat de akker- en weidevogels betreft werden de trends in voorkomen en aantallen opgevolgd via de algemene broedvogelindex. In totaal gaat het om 17 soorten, gaande van de torenvalk en de scholekster over de grutto, de veldleeuwerik, de boerenzwaluw tot de kievit en de geelgors. Uit cijfers van natuuronderzoeksinstituut INBO blijkt dat er sinds 2007 een licht neerwaartse trend zichtbaar is bij de akkervogels in Vlaanderen. Zo worden ook de MINA-plan 4 doelstellingen van de Vlaamse overheid niet gehaald.
Van de zes gebieden waar akkervogelmaatregelen aanwezig waren in het kader van het Europese plattelandsbeleid, werd in drie gebieden wel een licht positief effect vastgesteld: in Kerkom-bij-Sint-Truiden, Leefdaal en Schoorbakke. Belangrijke observatie: hoe groter de oppervlakte aaneengesloten percelen met maatregelen, hoe meer vogelsoorten er voorkomen en hoe hoger de totale aantallen vogels. Ook bij de weidevogels werd op enkele plaatsen een lichte vooruitgang vastgesteld, maar blijken de maatregelen desondanks weinig effect te hebben op de “totale abundantie en diversiteit” van de broedvogels.
“Zoals blijkt uit de resultaten leveren de maatregelen dus niet overal de beoogde resultaten,” aldus de onderzoekers, die verwijzen naar 19 andere studies. Uit die studies blijkt dat in vier gevallen de soortenrijkdom en voorkomen van de vogels toenam. In twee studies was er een daling, en in negen waren er zowel toenames als afnames. Algemeen werd geconcludeerd uit de studies dat hoe groter de oppervlakte waarop de akkervogel- en weidevogelmaatregelen uitgevoerd worden, hoe positiever het effect op de aantallen die voorkomen en/of de soortendiversiteit. Voor akkervogels is het effect iets meer uitgesproken dan voor weidevogels.
Wat landbouwgrond met hoge natuurwaarde betreft luidt de conclusie dat agromilieumaatregelen in het intensief bewerkte Vlaamse landbouwgebied best ingezet worden in of nabij landbouwgronden met natuurwaarde, echter zonder de overige gebieden in Vlaanderen te verwaarlozen. Monitoring blijkt daarom noodzakelijk om de impact van gerichte maatregelen te meten. “Deze inspanning wordt evenwel niet meer voorzien aangezien prioriteit wordt gegeven aan de Natura 2000 habitat typen binnen de speciale beschermingszones van de Habitatrichtlijn”, zo klinkt het.
Lees het volledige rapport hier.
Beeld: Dieter Coelembier (VLM)