Imagoschade fruit door focus op aantal actieve stoffen
nieuwsOf het nu milieuorganisatie Greenpeace is die de stalen neemt of consumentenorganisatie Test-Aankoop, telkens wijzen de labo-analyses van appels en peren uit dat de restanten van chemische gewasbeschermingsmiddelen op de vruchten onder de strenge wettelijke veiligheidslimiet blijven. Positief nieuws zou je denken, maar beide middenveldorganisaties zien dat anders. Test-Aankoop vindt sporen van minstens vier chemische stoffen terug in een kwart van de 40 onderzochte stukken fruit en spreekt meteen van “een chemische cocktail”. Andermaal wordt de fruitsector in het defensief gedrongen. Dit zou wel eens een heel hardnekkig imagoprobleem kunnen worden want een aantal (positieve) evoluties die de milieudruk van fruitteelt verminderen, werken een stijging van het aantal actieve stoffen net in de hand.
In het najaar van 2015 maakte Greenpeace wereldkundig dat 83 procent van de gangbaar geteelde appels die de milieuorganisatie liet testen sporen bevatte van chemische gewasbeschermingsmiddelen, weliswaar onder de wettelijk toegestane limiet. Greenpeace kocht de appels in supermarkten in 11 Europese landen. Gealarmeerd door dat onderzoek zocht Test-Aankoop uit hoe het zit met de appels en peren in Belgische supermarkten. “Helaas kwamen we uit op een soortgelijk resultaat. Slechts een minderheid van de onderzochte vruchten bevatte geen sporen van pesticiden, en ook het biolabel bleek geen waterdichte garantie op pesticidenvrije producten”, klinkt het in hun ledenmagazine.
Een kwart van de 40 door Test-Aankoop onderzochte appels en peren bevat sporen van minstens vier chemische stoffen. Op één appelsoort trof de consumentenorganisatie residu’s aan van zeven verschillende soorten bestrijdingsmiddelen. Op een totaal van 40 vruchten waren er zes zonder pesticidenresidu: drie appels en drie peren, waarvan telkens twee bio-exemplaren. Bitter weinig, als je het Test-Aankoop vraagt. De consumentenorganisatie liet de stalen door het labo screenen op 500 verschillende gewasbeschermingsmiddelen. Daarbij kwamen ook twee “verboden” producten aan het licht, waaronder de groeiregulator ethefon.
Ter verduidelijking: ethefon-formuleringen zijn voor verschillende gewassen toegelaten in België, echter niet voor appels en peren. In onze buurlanden Nederland en Frankrijk en ook in Oostenrijk en Polen is ethefon wel toegelaten in appel. Mogelijk kwam de bewuste appel uit het buitenland en gaat het dus om een toegelaten product in het land van oorsprong. Het kluwen van de wetgeving maakt het de teler en de consument(enorganisatie) dus niet eenvoudig.
Tussen de resultaten van de vruchten van de eerste aankoopperiode (begin september), waarbij de vruchten van uiteenlopende origine waren, en de tweede (half oktober) met uitsluitend Belgische appels en peren, waren er geen verschillen. Naast de zes vruchten zonder residu’s waren er acht stalen met sporen van één pesticide en nog eens acht stalen met twee verschillende stoffen. Meer actieve stoffen op één vrucht vindt Test-Aankoop niet aanvaardbaar. Op een totaal van 40 geteste appels en peren maakt dat dus 22 stalen die voor de consumentenorganisatie door de beugel kunnen.
Hoewel de biologische variant in twee van de drie gevallen volledig pesticidenvrij is, zint het Test-Aankoop niet dat het biolabel geen sluitende garantie kan bieden. De organisatie erkent wel dat er wettelijk gezien mogelijk geen probleem is omdat het residu in één appel en één peer zich misschien laat verklaren door een ‘historische besmetting’.
Dat ook een aantal appels en peren uit de gangbare teelt volledig pesticidenvrij bleken, ziet Test-Aankoop als voldoende bewijs dat het middelengebruik teruggeschroefd kan worden. Een redeneringsfout zo blijkt en Phytofar, de Belgische vereniging van de gewasbeschermingsmiddelenindustrie, legt ook uit waarom. Adviseur duurzaam gebruik Veerle Van Damme verklaart dat de afbraak van chemische gewasbeschermingsmiddelen start zodra ze op de plant aangebracht worden. Voor de ene actieve stof gaat dat sneller dan voor de andere, wat verklaart waarom bepaalde middelen niet en andere wel worden aangetroffen op de vruchten. Ook de weersomstandigheden en het seizoen kunnen de afbraaksnelheid beïnvloeden. Tenslotte speelt ook het tijdstip van toediening een grote rol. Hoe korter bij de oogst hoe groter de kans dat er op de appel of peer een residu gemeten wordt.
De pesticidenvrije vruchten uit gangbare teelt waar Test-Aankoop zo blij om is, komen met andere woorden ook uit een boomgaard waar gespoten is maar de restanten daarvan waren simpelweg niet meer op te sporen op het moment dat ze in de winkel lagen. De vastgelegde residunormen zijn trouwens geen indicatie voor de veiligheid van ons voedsel, maar laten toe om na te gaan of de producten op een correcte manier werden toegepast. De residunormen liggen meestal 100 tot 1.000 keer lager dan de limieten waarbij enig effect kan waargenomen worden.
Perceptie is soms belangrijker dan realiteit zodat de sector moet stilstaan bij het feit dat Test-Aankoop van het aantal actieve stoffen een probleem maakt terwijl de fruittelers gefocust zijn op de wettelijke limieten voor elke actieve stof afzonderlijk. In die zin is de kritiek van Test-Aankoop en alle mediaberichtgeving daarrond een koude douche voor de sector. Men voldoet aan alle wettelijke normen, maar het is blijkbaar nog niet goed genoeg.
De zogenaamde ‘geïntegreerde gewasbescherming’ (IPM) die in België op grote schaal wordt toegepast, probeert het aantal bespuitingen zo veel mogelijk te beperken. Dit komt overeen met het beperkt en oordeelkundig gebruik waar Test-Aankoop in het ledenblad voor pleit. Ook werkt men met meer selectieve middelen die de nuttige insecten sparen of met verschillende combinaties van actieve stoffen die de werkzaamheid verhogen en resistentie vermijden. Daardoor is het ook niet verwonderlijk dat er meer actieve stoffen terug te vinden zijn.
De fruitsector zal in de nasleep van deze heisa ongetwijfeld hameren op de MRL’s, de maximale residulimieten, die netjes gerespecteerd worden. Dat strookt ook met de vaststellingen die het Voedselagentschap doet. Van de in België geproduceerde groenten en fruit is 97 procent conform. De landbouworganisaties zullen zich ook druk maken om de imagoschade bij de consument die voor zijn eigen gezondheid net meer fruit zou moeten eten. En ze zullen mentaal oplapwerk hebben bij hun leden-fruittelers want voor hen werkt het behoorlijk demotiverend dat organisaties als Greenpeace en Test-Aankoop zich blindstaren op het aantal actieve stoffen. Daardoor zien zij de inspanningen niet die er geleverd worden om minder, en tegelijk ook minder milieuschadelijke, chemische hulpmiddelen in te zetten.
Vraag is hoe het nu verder moet. Als het aantal actieve stoffen voor bepaalde middenveldorganisaties een criterium wordt om het gewasbeschermingsmiddelengebruik van fruittelers op af te rekenen, dan stelt dat de sector voor een groot dilemma. Veerle Van Damme ziet namelijk meerdere redenen waarom het aantal actieve stoffen in residustalen eerder zal toe- dan afnemen: “Om te beginnen worden de laboanalyses steeds accurater zodat steeds meer stoffen in steeds kleinere hoeveelheden opgespoord kunnen worden. Bovendien schakelen fruittelers over van breed- naar selectief werkende bestrijdingsmiddelen, een evolutie die al bezig is sinds de jaren ‘90 maar waarbij misschien nog progressie mogelijk is. Dat laat hen bijvoorbeeld toe om nuttige insecten te sparen maar het kan een combinatie met een ander middel noodzakelijk maken.”
Ook vanuit het standpunt van resistentiemanagement is het verstandiger om actieve stoffen af te wisselen, dan steeds dezelfde middelen in te zetten tegen ziekten of plagen. Wettelijk is dit trouwens vastgelegd als een goede landbouwpraktijk. “Door aan te sturen op een vermindering van het aantal residu’s vraagt de consumentenorganisatie eigenlijk aan de telers om tegen de regels van goed landbouwkundig gebruik en resistentiemanagement in te gaan”, concludeert Vandamme. Het dilemma dat daaruit voortvloeit, is het volgende: terugkeren naar het verleden door terug te grijpen naar oude, breed werkende middelen of voortdoen op de ingeslagen weg van geïntegreerde bestrijding. Je zou kunnen zeggen dat een fruitteler vroeger met een bazooka op een ziekte of plaag schoot terwijl hij nu veel selectiever en zorgvuldiger tewerk gaat.
Een fenomeen dat wél gunstig inwerkt op het residu is het inschakelen van biologische bestrijding in het kader van een geïntegreerde gewasbescherming. De fruitteelt is samen met de glastuinbouw de sector die het meest beroep doet op biologische middeltjes als alternatieve bestrijdingswijze. Denk bijvoorbeeld aan de feromoonval voor de fruitmot. Niet voor elke plaag of ziekte bestaat echter een niet-chemische oplossing die zo effectief is. Er gebeurt volgens Phytofar heel wat onderzoek naar nieuwe middelen maar één vinden dat voldoet aan alle voorwaarden qua werkzaamheid tegen de aanwezige ziekten en plagen en weinig impact heeft op het milieu is niet evident.
Rest voor de sector alleen nog de vraag hoe je de milieu- en consumentenbeweging uitlegt dat het aantal chemische stoffen dat minuscuul kleine en volgens de regelgever ongevaarlijke sporen nalaat op een vrucht door de nieuwe, geïntegreerde aanpak van gewasbescherming kan stijgen. In ieder geval is er zoals het artikel in Test-Aankoop aangeeft geen reden om vers fruit te vermijden: een behandelde peer of appel eten is veel gezonder dan er geen te eten.