"Groeilanden meest kwetsbaar voor agflatie"
nieuwsJan Deprez: "Door de lage dollarkoers en de hoge olieprijs stegen de Amerikaanse import- en producentenprijzen tot het hoogste niveau in meer dan 25 jaar. In Europa trok de inflatie de voorbije maanden aan tot 3,2 procent, het hoogste niveau in 15 jaar. Ook in China steeg de inflatie tijdens de voorbije 18 maanden van 1 naar 7,1 procent. De deflatoire trend van de jongste jaren wordt duidelijk getest.
Het meten van inflatie is economisch van groot belang. Een van de hoofdtaken van een centrale bank is prijsstabiliteit te waarborgen, waardoor de koopkracht van de bevolking intact blijft. Om de gemiddelde stijging van de consumptieprijzen cijfermatig juist weer te geven, is dus een representatief inflatiecijfer nodig.
Dat blijkt niet zo evident. Uit een consumentenenquête uitgevoerd door de Europese Commissie blijkt dat de laatste jaren een grote divergentie is ontstaan tussen de officiële inflatie en de inflatieperceptie door de consument, ook wel gevoelsinflatie genoemd. Die perceptie wordt vooral beïnvloed door de prijs van de dagdagelijkse uitgaven als voeding en energie. Zo liep de prijs in België van bewerkte levensmiddelen in januari op met 8,5 procent. Die stijging tast de koopkracht van de lagere inkomens het meest aan en creëert een sterkere gevoelsinflatie.
Dat kan een gedeeltelijke verklaring zijn waarom de sterkere arbeidsmarkt in Europa zich het voorbije jaar niet vertaalde in een toenemende consumptie. Door de hogere gevoelsinflatie (via hogere energie- en voedingsprijzen) worden gezinnen bezorgd over de evolutie van hun koopkracht en hun toekomstige spaarmogelijkheden. Daardoor groeit de consumptie niet mee met het beschikbaar inkomen en blijkt inflatieperceptie bij de bevolking een even belangrijke indicator als het officiële inflatiecijfer zelf.
De afwijking tussen de officiële consumenteninflatie (CPI) en de gevoelsinflatie hangt ook af van de samenstelling van deze CPI-index. Het gewicht van voedingsprijzen bijvoorbeeld bedraagt in de VS 13,9 procent, in ons land is dat 20,2 procent en in China zelfs 33 procent.
Aangezien de beschikbare landbouwoppervlakte constant blijft, ontstaat een verhoogde prijsdruk door de toegenomen vraag. Op deze manier wordt de prijzenproblematiek uitgebreid van de oliesector naar de agrosector. Neem daarnaast nog het wijzigende eetpatroon in verschillende groeilanden als China (meer consumptie van varkensvlees en zuivelproducten) en de prijsdruk ontstaat in alle landbouwgrondstoffen. Op basis van die nieuwe trends voorzien verschillende analisten verder stijgende agroprijzen. Nochtans zijn sommige van deze factoren tijdelijk.
Epidemieën en natuurfenomenen, die in 2007 voor extra prijsdruk zorgden, zijn geen dagelijkse verschijnselen terwijl de Chinese veecapaciteit drastisch opgevoerd wordt. Het belang van de biobrandstof hangt uiteraard af van de verdere evolutie van de olieprijs. Bij sommige overheden zwakt het initiële enthousiasme echter al flink af. Dit alternatief kan misschien de duurdere olie opvangen, maar dreigt in feite een nieuw probleem te creëren: een uit de hand lopende agro-inflatie ('agflatie') met daaruit volgend piekende gevoelsinflatie en mogelijk zelfs publieke onrust. Ook is een deel van de prijsstijging ongetwijfeld gedragen door speculatief geld. Agrobeleggingsvehikels schieten als paddenstoelen uit de grond en het beleggingsverhaal verkoopt aardig.
Inflatie betekent overigens de stijgingsgraad van prijzen. Dat houdt in dat landbouwproducten in hetzelfde procentuele tempo moeten blijven stijgen om eenzelfde opwaartse druk te creëren. Dat betekent voorts exponentieel stijgende landbouwprijzen. Zo zou de contantprijs van tarwe (per schepel) die in de afgelopen twee jaar steeg van 3,7 naar 11 dollar tegen 2009 moeten doorstijgen naar 32,7 dollar om de prijsdruk constant te houden. Stagneren op de huidige hoge niveaus (rond 11 dollar) daarentegen zou vanuit deze component de inflatie afremmen. Een analyse van de termijnkoersen op de futuremarkten levert alvast geen onverdeeld beeld van verdere stijgingen, laat staan van exponentieel stijgend.
Door de sterke economische groei tijdens de voorbije twee jaar in Europa zijn de inflatoire spanningen toegenomen. Vooral de arbeidsmarkt was vrij stevig, de Europese werkloosheidsgraad viel terug tot het niveau van begin jaren 90. Het gevaar zit in Europa vooral in de inflatieperceptie. Tot 2002 liepen de perceptie en de officiële inflatie nauw samen, tot de komst van de euro voor een breuk zorgde. Deze divergentie nam vanaf 2006 toe door toenemende gevoelsinflatie vloeiend uit de hogere agro- en energieprijzen.
In een omgeving van een sterkere arbeidsmarkt kunnen nu sneller loonsverhogingen geëist worden om de gevreesde aantasting van de koopkracht te voorkomen. Gevoelsinflatie gecombineerd met een sterke arbeidsmarkt is een gevaarlijke cocktail die tot looninflatie kan leiden. ECB-voorzitter Jean-Claude Trichet blijft in die context duiden op het gevaar van loonspiralen die kunnen volgen uit de hogere inflatiecijfers en gevoelsinflatie.
In het verleden waren de energieprijzen en vooral de olieprijs een dominante factor in de prijsfluctuaties of inflatievolatiliteit. Door de hierboven aangegeven reden is deze factor minder belangrijk geworden in onze diensteneconomie en is het risico verschoven naar die andere basisbehoefte: voeding. Het gewicht van deze prijsschommelingen in de officiële CPI-index is echter zwaarder dan de olieprijs. De stijging bij deze prijzen speelt ook directer in op de gevoelsinflatie omwille van de dagelijkse confrontatie, versterkt door de groeiende media-aandacht.
In de groeilanden ligt dat gewicht dus veel hoger. Hierdoor zijn de marktfluctuaties in de landbouwgrondstoffen er directer voelbaar. En het rentewapen zal niet veel impact hebben op dit soort inflatie, aangezien het hier om een basisbehoefte gaat".(KS)
Bron: De Tijd