nieuws

"Groeilanden meest kwetsbaar voor agflatie"

nieuws
Als recreatief paardenhouder werd ik vorig jaar rechtstreeks geconfronteerd met het fenomeen agro-inflatie. De graanprijzen verdubbelden zowat, waardoor krachtvoeders en graanmengsels voor paarden flink duurder werden, schrijft Jan Deprez, hoofd fondsenbeheer bij SG Private Banking, in een vrije tribune in De Tijd. Met een blijvende agflatie is de wereldeconomie niet gebaat. De groeilanden zijn er het meest kwetsbaar voor, meent de fondsenbeheerder.
3 maart 2008  – Laatst bijgewerkt om 14 september 2020 14:02
Als recreatief paardenhouder werd ik vorig jaar rechtstreeks geconfronteerd met het fenomeen agro-inflatie. De graanprijzen verdubbelden zowat, waardoor krachtvoeders en graanmengsels voor paarden flink duurder werden, schrijft Jan Deprez, hoofd fondsenbeheer bij SG Private Banking, in een vrije tribune in De Tijd. Met een blijvende agflatie is de wereldeconomie niet gebaat. De groeilanden zijn er het meest kwetsbaar voor, meent de fondsenbeheerder.

Jan Deprez: "Door de lage dollarkoers en de hoge olieprijs stegen de Amerikaanse import- en producentenprijzen tot het hoogste niveau in meer dan 25 jaar. In Europa trok de inflatie de voorbije maanden aan tot 3,2 procent, het hoogste niveau in 15 jaar. Ook in China steeg de inflatie tijdens de voorbije 18 maanden van 1 naar 7,1 procent. De deflatoire trend van de jongste jaren wordt duidelijk getest.

Het meten van inflatie is economisch van groot belang. Een van de hoofdtaken van een centrale bank is prijsstabiliteit te waarborgen, waardoor de koopkracht van de bevolking intact blijft. Om de gemiddelde stijging van de consumptieprijzen cijfermatig juist weer te geven, is dus een representatief inflatiecijfer nodig.

Dat blijkt niet zo evident. Uit een consumentenenquête uitgevoerd door de Europese Commissie blijkt dat de laatste jaren een grote divergentie is ontstaan tussen de officiële inflatie en de inflatieperceptie door de consument, ook wel gevoelsinflatie genoemd. Die perceptie wordt vooral beïnvloed door de prijs van de dagdagelijkse uitgaven als voeding en energie. Zo liep de prijs in België van bewerkte levensmiddelen in januari op met 8,5 procent. Die stijging tast de koopkracht van de lagere inkomens het meest aan en creëert een sterkere gevoelsinflatie.

Dat kan een gedeeltelijke verklaring zijn waarom de sterkere arbeidsmarkt in Europa zich het voorbije jaar niet vertaalde in een toenemende consumptie. Door de hogere gevoelsinflatie (via hogere energie- en voedingsprijzen) worden gezinnen bezorgd over de evolutie van hun koopkracht en hun toekomstige spaarmogelijkheden. Daardoor groeit de consumptie niet mee met het beschikbaar inkomen en blijkt inflatieperceptie bij de bevolking een even belangrijke indicator als het officiële inflatiecijfer zelf.

De afwijking tussen de officiële consumenteninflatie (CPI) en de gevoelsinflatie hangt ook af van de samenstelling van deze CPI-index. Het gewicht van voedingsprijzen bijvoorbeeld bedraagt in de VS 13,9 procent, in ons land is dat 20,2 procent en in China zelfs 33 procent.

Opkomst van agflatie
De gemiddelde prijzen van landbouwproducten kenden tijdens het voorbije jaar een zeer sterke stijging en sleurden in bepaalde regio's het officiële inflatiecijfer omhoog. De redenen zijn bekend. De recordprijzen op de oliemarkt maakt de exploitatie van bio-brandstof interessanter waardoor de graanproductie verdeeld moet worden tussen consumptie voor voeding en voor biobrandstof. In 2007 was 60 procent van de groei in de globale graanconsumptie voor rekening van de Amerikaanse ethanolindustrie.

Aangezien de beschikbare landbouwoppervlakte constant blijft, ontstaat een verhoogde prijsdruk door de toegenomen vraag. Op deze manier wordt de prijzenproblematiek uitgebreid van de oliesector naar de agrosector. Neem daarnaast nog het wijzigende eetpatroon in verschillende groeilanden als China (meer consumptie van varkensvlees en zuivelproducten) en de prijsdruk ontstaat in alle landbouwgrondstoffen. Op basis van die nieuwe trends voorzien verschillende analisten verder stijgende agroprijzen. Nochtans zijn sommige van deze factoren tijdelijk.

Epidemieën en natuurfenomenen, die in 2007 voor extra prijsdruk zorgden, zijn geen dagelijkse verschijnselen terwijl de Chinese veecapaciteit drastisch opgevoerd wordt. Het belang van de biobrandstof hangt uiteraard af van de verdere evolutie van de olieprijs. Bij sommige overheden zwakt het initiële enthousiasme echter al flink af. Dit alternatief kan misschien de duurdere olie opvangen, maar dreigt in feite een nieuw probleem te creëren: een uit de hand lopende agro-inflatie ('agflatie') met daaruit volgend piekende gevoelsinflatie en mogelijk zelfs publieke onrust. Ook is een deel van de prijsstijging ongetwijfeld gedragen door speculatief geld. Agrobeleggingsvehikels schieten als paddenstoelen uit de grond en het beleggingsverhaal verkoopt aardig.

Inflatie betekent overigens de stijgingsgraad van prijzen. Dat houdt in dat landbouwproducten in hetzelfde procentuele tempo moeten blijven stijgen om eenzelfde opwaartse druk te creëren. Dat betekent voorts exponentieel stijgende landbouwprijzen. Zo zou de contantprijs van tarwe (per schepel) die in de afgelopen twee jaar steeg van 3,7 naar 11 dollar tegen 2009 moeten doorstijgen naar 32,7 dollar om de prijsdruk constant te houden. Stagneren op de huidige hoge niveaus (rond 11 dollar) daarentegen zou vanuit deze component de inflatie afremmen. Een analyse van de termijnkoersen op de futuremarkten levert alvast geen onverdeeld beeld van verdere stijgingen, laat staan van exponentieel stijgend.

China
De sterke stijging van de Chinese inflatie tijdens het voorbije anderhalf jaar is bijna uitsluitend te wijten aan de exploderende voedingsprijzen (+18% tijdens het voorbije jaar). Daardoor groeit de vrees dat China een bron wordt van globale inflatie in plaats van deflatie. Als men de voedingsprijzen echter wegcijfert uit dit cijfer, valt de Chinese inflatie terug tot 1,5 procent, een kerninflatie die de voorbije drie jaar nauwelijks bewoog. Productiviteits- en capaciteitsgroei, verdere globalisatie en technische vooruitgang zijn belangrijke redenen voor dit laag blijvende niveau.

Door de sterke economische groei tijdens de voorbije twee jaar in Europa zijn de inflatoire spanningen toegenomen. Vooral de arbeidsmarkt was vrij stevig, de Europese werkloosheidsgraad viel terug tot het niveau van begin jaren 90. Het gevaar zit in Europa vooral in de inflatieperceptie. Tot 2002 liepen de perceptie en de officiële inflatie nauw samen, tot de komst van de euro voor een breuk zorgde. Deze divergentie nam vanaf 2006 toe door toenemende gevoelsinflatie vloeiend uit de hogere agro- en energieprijzen.

In een omgeving van een sterkere arbeidsmarkt kunnen nu sneller loonsverhogingen geëist worden om de gevreesde aantasting van de koopkracht te voorkomen. Gevoelsinflatie gecombineerd met een sterke arbeidsmarkt is een gevaarlijke cocktail die tot looninflatie kan leiden. ECB-voorzitter Jean-Claude Trichet blijft in die context duiden op het gevaar van loonspiralen die kunnen volgen uit de hogere inflatiecijfers en gevoelsinflatie.

Agro als boeman
Het voorbije decennium verliep het officiële inflatiepeil veel minder volatiel dan bijvoorbeeld in de jaren 80. De lagere gevoeligheid voor schommelingen in de olieprijs en de desinflatoire krachten die de globalisering en hogere productiviteit met zich meebrachten zijn daar belangrijke oorzaken van. Sinds de introductie van de euro is het verschil tussen het laagste en hoogste inflatiepeil in de eurozone 1,6 procent (rekening houdend met de recente opstoot). In de jaren 90 was dit verschil 4,2 procent en in de jaren 80 nog meer.

In het verleden waren de energieprijzen en vooral de olieprijs een dominante factor in de prijsfluctuaties of inflatievolatiliteit. Door de hierboven aangegeven reden is deze factor minder belangrijk geworden in onze diensteneconomie en is het risico verschoven naar die andere basisbehoefte: voeding. Het gewicht van deze prijsschommelingen in de officiële CPI-index is echter zwaarder dan de olieprijs. De stijging bij deze prijzen speelt ook directer in op de gevoelsinflatie omwille van de dagelijkse confrontatie, versterkt door de groeiende media-aandacht.

Consumentenvertrouwen
Een aanhoudende agflatie kan onder andere via hogere looneisen doorsijpelen naar de andere inflatiecomponenten en kan ook een negatieve impact hebben op het consumentenvertrouwen en -gedrag. Vooral sommige groeilanden kunnen hier kwetsbaar voor zijn omwille van hun grotere gevoeligheid voor de prijzen van landbouwgrondstoffen. In de Filipijnen en Indonesië bijvoorbeeld bedraagt voeding meer dan 40 procent van het CPI-cijfer. Ook worden landbouwproducten in de groeilanden meestal gekocht in hun basisvorm en niet op een bewerkte manier zoals hier. In Europa en de VS heeft dit tot gevolg dat de agrarische grondstoffen maximaal 25 procent uitmaken van de voedingsprijzen.

In de groeilanden ligt dat gewicht dus veel hoger. Hierdoor zijn de marktfluctuaties in de landbouwgrondstoffen er directer voelbaar. En het rentewapen zal niet veel impact hebben op dit soort inflatie, aangezien het hier om een basisbehoefte gaat".(KS)

Bron: De Tijd

Gerelateerde artikels

Er zijn :newsItemCount nieuwe artikels sinds jouw laatste bezoek