"GLB moet diversiteit van landbouwsector omarmen"
nieuwsDe groei van een landbouwbedrijf hoeft lang niet enkel een kwantitatief gegeven te zijn; verschillende groeistrategieën zijn mogelijk. Dat is één van de belangrijkste conclusies van een denkoefening die in de Landbouwcommissie van het Europese Parlement werd georganiseerd. “Daar waar het GLB-paradigma decennialang op schaalvergroting aanstuurde merken we dat ook kleine bedrijven substantieel kunnen groeien en mooie resultaten kunnen neerzetten,” zo klinkt het bij onder meer Jan Douwe van der Ploeg van Wageningen Universiteit. “Het is hoog tijd dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) een inclusief in plaats van een selectief beleid wordt.”
Om het debat over de toekomst van het GLB na 2020, dat dit najaar uitgebreid zal gevoerd worden, alvast van enkele spitante meningen en toekomstvisies te voorzien, werd in de schoot van COMAGRI, de landbouwcommissie van het Europees Parlement, een brainstorm georganiseerd over hoe het nieuwe Europese landbouwbeleid de landbouw van de 21ste eeuw beter kan ondersteunen. De analyse viel uiteindelijk uiteen in drie hoofstukken, gefocust op West-Europa, Centraal- en Oost-Europa en tenslotte de positie van de boer in de landbouwketen.
Wat het eerste luik betreft lezen we in de conclusies van de denkoefening, die zijn neergepend door enkele landbouwacademici die gespecialiseerd zijn in de materie, dat er niet één maar meerdere manieren zijn voor een landbouwbedrijf om te groeien of om voor een inkomen voor de landbouwer en zijn familie te zorgen. Dat spectrum aan mogelijke pistes is de laatste decennia bovendien alleen maar breder geworden, zo klinkt het. En kwantitatieve groei – uitbreiding van het areaal of omzetverhoging – is slechts één van de mogelijke pistes.
Toch is het vooral die laatste piste die het politieke landbouwdiscours de laatste vijftig jaar heeft gedomineerd, waardoor de indruk is ontstaan dat je als landbouwbedrijf enkel kan groeien op een kwantitatieve manier. “Dat is problematisch,” aldus de auteurs, “want het creëert verkeerdelijk de indruk dat groei in de sector vooral gerealiseerd wordt door grote bedrijven, en dat kleine bedrijven slechts een marginale bijrol spelen. Dat is een manifest foute perceptie, want het zijn net de kleine en middelgrote bedrijven die het meest bijdragen tot die groei. Bovendien blijkt uit nieuw onderzoek dat de kleine bedrijven van vandaag vaak de grote bedrijven van morgen zijn en financieel-economisch vaak veerkrachtiger zijn.”
Volgens de auteurs moeten we dus van dat kwantitatieve groeiparadigma af. Grote bedrijven zijn door hun hoge schuldenlast vandaag extreem kwetsbaar voor volatiele wereldmarkten. Bovendien wordt de sector geconfronteerd met verschillende tekorten. Er moet meer voedsel geproduceerd worden met minder inputs, en dat op een duurzamere manier. Bovendien wordt van de sector verwacht dat ze werkgelegenheid creëert, dat ze minder fossiele brandstoffen en water gebruikt, dat ze plattelandseconomieën versterkt en de biodiversiteit op het platteland in stand houdt. Al deze nieuwe doelstellingen vereisen een nieuwe manier van boeren en nieuwe ontwikkelingsmodellen voor landbouwbedrijven.
Maar daarvoor is een radicale herziening van het GLB nodig, zo komen de auteurs tot de kern van de zaak. “Het nieuwe landbouw- en plattelandsbeleid moet inclusief zijn, wat wil zeggen dat het alle bedrijven, ongeacht hun bedrijfsmodel of grootte, de kans geeft om te groeien,” zo klinkt de conclusie. “Jonge mensen moeten daarbij maximaal de kans krijgen om met een eigen boerderij te starten. Om zo’n inclusief beleid waar te maken moet de opkomst van mega-boerderijen tegengehouden worden omdat ze kleinere familiale bedrijven uit de markt duwen en bovendien niet voldoen aan de maatschappelijke verwachtingen waar we eerder al naar verwezen. Om dat te verwezenlijken moeten de tussenschotten tussen de eerste en tweede pijler van het GLB verdwijnen en moet pijler 1 geïntegreerd worden in pijler 2.”
Lees het volledige verslag hier.