Cijfers voorspellen groei of krimp van landbouwbedrijf
nieuwsMelkveehouders en akkerbouwers die in 2001 al goede prestaties leverden, groeien sneller dan collega-bedrijven met minder goede cijfers. Bedrijfsgegevens kunnen dus een indicatie zijn om te voorspellen of een bedrijf gaat krimpen, matig gaat groeien of sterk gaat groeien. Maar uiteindelijk beslist de ondernemer hierover. Dat concluderen LEI-onderzoekers Hennie van der Veen en Kees de Bont.
LEI-onderzoekers Hennie van der Veen en Kees de Bont, die verbonden zijn met Wageningen Universiteit en Researchcentrum, baseren zich voor de groei van landbouwbedrijven op cijfers uit het Bedrijven-Informatienet. Zij onderzochten waarom bepaalde bedrijven wel of niet groeien en schreven hierover het artikel ‘Groei in bedrijfsgrootte vooral bij beter presterende bedrijven’.
Landbouwbedrijven laten in de loop der jaren verschillende ontwikkelingen zien. Sommige bedrijven groeien in omvang, andere daarentegen krimpen. In de akkerbouw kan die verandering worden weergegeven op basis van de ontwikkeling van de bedrijfsoppervlakte, in de melkveehouderij op basis van het aantal melkkoeien.
Dat zijn op zich belangrijke kengetallen, maar een nuance is op zijn plaats want ze brengen niet de ontwikkeling van het ganse bedrijf in beeld. In de akkerbouw kan door een verandering in het teeltplan meer grond voorzien zijn voor intensieve gewassen zoals aardappelen. Op melkveebedrijven kan een verkleining van de melkveestapel gecompenseerd zijn door een toename van het aantal andere dieren. Verder is geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat bedrijven meer of minder aan verbreding gaan doen.
De resultaten van Nederlandse landbouwbedrijven die van 2001 tot 2008 deelnamen aan het Informatienet geven aan dat groeiers al in de voorgaande jaren een fundament hebben gelegd voor de uitbreiding van hun bedrijf.
In de Nederlandse akkerbouw zijn er naar verhouding minder krimpende bedrijven dan in de melkveehouderij. De verschillen in omvang tussen krimpbedrijven en stevige groeiers waren in 2001 in de akkerbouw nog vrij beperkt, namelijk 10 procent, maar al forser bij de melkveebedrijven (30%). In 2008 hebben de stevige groeiers in de akkerbouw al een tweemaal zo groot bedrijf bijeen vergaard als de krimpbedrijven. In de melkveehouderij zijn de stevige groeiers zelfs 2,5 keer zo groot.
De redenen voor krimp dan wel (stevige) groei verschillen per bedrijf. Het Informatienet geeft hierover enige indicatie. Zo zijn de bedrijfsleiders op de groeibedrijven in 2008 gemiddeld wat jonger dan op de krimpende bedrijven. Dat ook de bedrijfsuitrusting (moderniteit van gebouwen, machines,… ) van de stevige groeiers al in 2001 jonger is dan van de krimpbedrijven, wijst er op dat de groeiers meer gewend zijn te investeren. Dit geldt vooral in de melkveehouderij.
De uitbreiding van de melkveestapel op deze bedrijven is zodanig groot dat er ook in nieuwe stallen is geïnvesteerd. In de akkerbouw is de bedrijfsuitrusting van de stevige groeiers nauwelijks moderner geworden ten opzichte van 2001, deze ondernemers hebben vooral geïnvesteerd in de aankoop van grond.
De bedrijven die groeien hebben een hogere rendabiliteit en een hoger inkomen dan een gemiddeld bedrijf. Hiermee wordt meteen een financiële basis gelegd om groei van het bedrijf mogelijk te maken. De stevige groeiers in de akkerbouw investeerden in de periode 2001 tot 2008 netto voor bijna 700.000 euro.
De solvabiliteit (het aandeel eigen vermogen in het bedrijfsvermogen) van deze akkerbouwers daalde gemiddeld echter nauwelijks. Door de waardetoename van grond kon ook het eigen vermogen toenemen. Ook bij de stevige groeiers in de melkveehouderij is het vreemd vermogen toegenomen met minder dan de helft van het percentage investeringen, die op meer dan 1 miljoen euro uitkwamen.
Het krimpen van een bedrijf betekent niet dat er in het geheel niet meer wordt geïnvesteerd. De krimpende bedrijven in de akkerbouw investeerden netto gemiddeld nog ongeveer 190.000 euro en die in de melkveehouderij bijna 90.000 euro.
Bron: eigen verslaggeving