Boer-boer-contact verspreidt kennis over agro-ecologie
nieuwsWie meer wou weten over agro-ecologie moest de afgelopen twee dagen in Leuven zijn. Dinsdag verzamelden wetenschappers voor een academische bijeenkomst terwijl op maandag een breed publiek kon luisteren naar getuigenissen. Verschillende thema’s (o.a. agroforestry, bodemvruchtbaarheid, mobiliseren van boeren en burgers) werden verder uitgespit tijdens workshops. VILT brainstormde mee over de uitwisseling van agro-ecologische kennis. Aan de hand van een geënsceneerd probleem dat helaas voor veel boeren realiteit is – lage prijzen, natuurdoelstellingen en andere bedreigingen – werden de deelnemers uitgedaagd om na te denken over de kennis(uitwisseling) omtrent agro-ecologie die nodig is om deze landbouwers een nieuw perspectief te bieden.
Tijdens de studiedag ‘Agroecology in action’ konden wetenschappers zich opwarmen voor de ‘Belgian Agroecology Meeting’ die daags nadien zou plaatsvinden, eveneens in de gebouwen van de KU Leuven. Organisator van de meeting op dinsdag is GIRAF, een interdisciplinaire groep van Vlaamse en Waalse wetenschappers die samen nadenken over agroecologie. Het programma van ‘Agroecology in action’ op maandag werd minder academisch opgevat. De studiedag ontving een divers publiek van wetenschappers, studenten, adviseurs, activisten en landbouwers. Tijdens verschillende workshops deden zij inspiratie op en deelden zij kennis.
In de praktijk verloopt uitwisseling van agro-ecologische kennis niet enkel ‘topdown’ van wetenschappelijke instellingen naar beoefenaars. Er is ook veel kennisuitwisseling door informele contacten tussen landbouwers onderling. Hoe gaat dit in zijn werk en hoe kunnen we deze kennis en de uitwisseling daarvan valoriseren? Die vraag stond centraal tijdens één van de acht workshops die geleid werd door de Vlaamse Landmaatschappij en onderzoeksinstituut ILVO.
VLM en ILVO beschikken over aardig wat voorkennis want ze zijn al even bezig met kennisontwikkeling in het kader van hun projectwerking rond agro-ecologie en biolandbouw. Zo neemt VLM deel aan het Europese Sagiter-project dat een methodiek beoogt voor kennisopbouw en -verspreiding inzake agro-ecologie. De trekker van het project is een Frans onderzoeksinstituut. De overheid gelooft daar sterk in agro-ecologie als landbouwmodel voor de toekomst.
ILVO participeert op zijn beurt in het project ‘Bio in Beeld’ van de Vlaamse overheid. Aanleiding voor dat project is de vaststelling dat biolandbouw in Vlaanderen nog met heel wat kennisvragen zit ondanks alle goed bedoelde inspanningen vanuit de sector, het beleid en de onderzoekswereld. Wat dat betreft lopen de uitdagingen voor biolandbouw en agro-ecologie gelijk. Een gebrek aan kennis over beiden is voor veel boeren een obstakel om de stap te wagen. Daaruit volgt dan de vraag met welke instrumenten die kennishiaten ingevuld kunnen worden.
Om de denkoefening niet louter theoretisch te houden, bogen de deelnemers aan de workshop zich over een probleem dat uit het boerenleven gegrepen leek. Terwijl er al een ernstige bedreiging uitgaat van de lage prijzen voor landbouwproducten komen daar nog bovenop: milieunormen die steeds strenger worden, het voortbestaan van het bedrijf dat bedreigd wordt door de Europese natuurdoelstellingen, recreatie en natuur die steeds meer ruimte innemen ten koste van landbouw, enz.
Voor de getroffen bedrijven is het de uitdaging om zulke bedreigingen om te buigen tot een opportuniteit. Niets doen is voor de meeste landbouwers geen optie. Sommigen overwegen om te stoppen. Voor de anderen is het wellicht mogelijk om met behulp van een andere invalshoek toch een behoorlijk inkomen te realiseren. Door de bedrijfsvoering om te vormen van een gangbare productielogica naar een onderneming die stoelt op agro-ecologische concepten, kan er een symbiose ontstaan tussen landbouw en natuur. Gemakkelijk is dat niet. Hiervoor is heel wat kennis nodig en een flexibele attitude.
Begrijp ‘attitude’ als de bereidheid van een landbouwer om zich open te stellen voor nieuwe opportuniteiten. Wie enkel op productie gefocust is en niet ‘out-of-the box’ kan denken, zal wellicht alleen bedreigingen zien. Als er in deze casus een aantal boeren het voor bekeken houden en de blijvers kopen de vrijgekomen gronden op om hun productielogica te handhaven, dan vergroot het probleem alleen maar of blijft de bedreiging alleszins intact. Stel nu dat de getroffen landbouwers wel inzien dat agro-ecologie een mogelijke uitweg biedt, dan is het nog de vraag waar zij de noodzakelijke kennis gaan verwerven.
Een landbouwer die hongerig is naar kennis zal vaak zijn eigen weg moeten zoeken want er bestaat niet zoiets als generieke adviezen die op een groot aantal boeren van toepassing zijn. Komt daar nog bij dat de tijd die hij heeft voor zijn zoektocht beperkt is. Het alledaagse werk op de boerderij vreet immers tijd en energie. In de biosector heeft men al ervaren dat samenwerkingsverbanden een uitkomst kunnen bieden. Binnen een groter geheel kan een individuele landbouwer makkelijker tijd vrijmaken voor reflectie en vorming.
Wanneer een landbouwer de staldeur achter zich dichttrekt, dan is het nog de vraag waar hij naar toe trekt op zoek naar bijscholing of bij wie hij terecht kan. Tijdens de discussie werd geopperd dat landbouwers in de eerste plaats op hun bestaand netwerk terugvallen, wat zelfbevestigend kan werken. Erfbetreders en voorlichters hebben immers niet alle wijsheid in pacht en gangbare landbouwers gaan meestal onder elkaar discussiëren maar niet zo gauw met een collega-bioboer. Het bestaande netwerk heeft één groot voordeel, namelijk laagdrempeligheid. Daarom is het zo belangrijk dat grote vakorganisaties zoals Boerenbond nieuwe kennis actief helpen verspreiden.
Vorming hoeft niet per se top-down te verlopen. Biobedrijfsnetwerken zijn een succesvol voorbeeld van kennisuitwisseling tussen boeren onderling en het efficiënter benutten van de kennis uit de praktijk. Niets werkt zo overtuigend voor een landbouwer als een andere landbouwer horen vertellen. De deelnemers aan zo’n netwerk mogen niet het gevoel hebben dat ze elkaars concurrenten zijn en dat is in de gangbare landbouw misschien meer dan in de biolandbouw het geval. Vertrouwen is een basisvoorwaarde om open met collega’s te kunnen discussiëren. Verder is het ook belangrijk dat er een ‘klik’ is met de voorlichter die deelneemt aan de bijeenkomst. En als alle randvoorwaarden vervuld zijn, kunnen dringende oogstwerkzaamheden nog altijd spelbreker zijn bij een bijeenkomst onder boeren.
Gangbare landbouwers kunnen dankzij de monitoring door de overheid, de grotere omvang van de sector en het jarenlange werk van praktijkcentra beschikken over veel bedrijfseconomische en teelttechnische gegevens. Agro-ecologie is vooralsnog veel minder courant, dus is er ook veel minder cijfermateriaal beschikbaar. Daar is dus nog een inhaalslag te maken. Over de aard van de kennis die een landbouwer nodig heeft, valt veel te zeggen. Behalve van cijfertjes moet de man of vrouw in kwestie ook verstand hebben van marketing. Kennis van de omgeving is ook belangrijk, bijvoorbeeld om de mogelijkheden binnen de korte keten af te toetsen. En bovenal moet een landbouwer die zijn waren zelf aan de man brengt, zijn producten én zijn manier van werken kunnen verkopen. Een boer die verbreding zoekt in de richting van recreatie of natuurbeheer zal tot de vaststelling komen dat hij zich die kennis nooit eigen heeft gemaakt.
Het lijkt heel lastig voor één man of vrouw om al die kennis te vergaren zodat er een lans gebroken werd voor een coördinator of adviseur die alle kennis kan overzien en zo nodig hapklaar bundelen. Die persoon zou mee aan tafel moeten zitten bij het ontwikkelen van een bedrijfsstrategie voor de lange termijn. Een variatie op de ‘coördinator’ of ‘adviseur’ is de ‘vertaler’ die sommige deelnemers aan de workshop nodig achten om de vaak heel complexe beleidsteksten om te zetten in nuttige informatie voor de landbouwer.
Ervaren landbouwers terug naar de schoolbanken sturen, is verre van evident. De logica zegt dus dat je in het landbouwonderwijs één en ander moet bijsturen zodat jongeren met kennis van agro-ecologie afstuderen. Zoals het onderwijs een aantal veranderingen zal moeten slikken zo is er ook bij de beleidsmakers bereidheid nodig om één en ander bij te sturen om agro-ecologie vooruit te helpen. Eén missing link in het radarwerk van beleidsinstrumenten en sectorinitiatieven kan immers voldoende zijn om veel inspanningen teniet te doen.