nieuws

"Technisch resultaat doorslaggevend op varkensbedrijf"

nieuws
In de varkenshouderij is het mogelijk om de risico’s als gevolg van prijsvolatiliteit in te perken door het bedrijf technisch goed uit te baten. Dat beweert Jacky Swennen, productmanager landbouw van SBB. Volgens zijn analyse halen de beste varkensbedrijven een gemiddeld arbeidsinkomen van 22,81 euro per gewerkt uur, bij de slechtste is dit slechts 5,18 euro.
17 januari 2013  – Laatst bijgewerkt om 4 april 2020 15:08

In de varkenshouderij is het mogelijk om de risico’s als gevolg van prijsvolatiliteit in te perken door het bedrijf technisch goed uit te baten. Dat beweerde Jacky Swennen, productmanager landbouw van SBB, tijdens een studiedag op Agriflanders. Volgens zijn analyse halen de beste varkensbedrijven een gemiddeld arbeidsinkomen van 22,81 euro per gewerkt uur, bij de slechtste is dit slechts 5,18 euro.

Swennen analyseerde de resultaten van 170 gesloten varkensbedrijven tussen 2007 en 2011. Hij deelde de varkensbedrijven op in vier groepen naar gelang hun economisch resultaat: de beste, de goede, de mindere en de slechtste bedrijven. Gemiddeld schommelde het saldo - dat is bruto-opbrengst verminderd met de kosten - rond de 174.500 euro over de onderzochte periode. De slechtste bedrijven haalden een saldo van 118.800 euro, bij de beste bedrijven was dat 224.300 euro.

Dit impliceert dat het gezinsinkomen tussen varkensbedrijven grote verschillen vertoont. Zo is dat bij de slechtste bedrijven zo’n 20.600 euro, terwijl de beste bedrijven een inkomen van 79.600 euro halen. SBB ging ook op zoek naar verklaringen voor deze grote verschillen. Daaruit bleek dat bedrijfsstructuur slechts voor een klein gedeelte de verschillen kan verklaren.

Zo hebben de beste bedrijven iets meer marktbare teelten en combineren de slechtste bedrijven de varkenshouderij vaak met runderen. “Hoewel diversificatie een vorm van risicobeperking is, gaat dit voor de combinatie varkens en runderen niet op. Runderen nemen tijd en grond (mest en voeder) in, die worden onttrokken aan de varkenstak”, stelt Swennen.

Bij de betere varkensbedrijven ziet SBB dat de bedrijfsomvang en specialisatiegraad duidelijk hoger zijn. Het percentage eigen vermogen is ongeveer gelijk, maar er is wel een verschil te zien in de vermogensopbouw: de beste bedrijven hebben een totaal vermogen van 1,04 miljoen euro, terwijl de slechtste bedrijven een vermogen van 784.700 euro hebben. De samenstelling van het vermogen is gelijk. En ook het aantal arbeidskrachten en gewerkte uren kunnen de verschillen niet verklaren.

Dit doet SBB concluderen dat de belangrijkste oorzaak van het grote inkomensverschil tussen varkensbedrijven de technische resultaten zijn. “Het is dus de verantwoordelijkheid van de ondernemer. Er is meer te winnen door het bedrijf technisch beter uit te baten dan door te groeien. Minder dan gemiddeld presteren is het grootste risico voor een bedrijf”, beweert Swennen.

Hij ziet ook een verschil tussen de zeugentak en de tak vleesvarkens op een bedrijf. “Resultaatsverschillen voor vleesvarkens zijn veel meer bepalend dan de verschillen in de zeugenuitbating”, klinkt het. Andere belangrijke parameters bij de bedrijfsuitbating zijn de opbrengst per vleesvarken, de voederkost en daarmee samenhangend de voederconversie en tot slot het productiegetal en voederverbruik van zeugen en biggen.

Wie erin slaagt om die te verbeteren en zo van de slechtste naar de beste groep varkensbedrijven te evolueren, ziet meteen ook zijn resultaten sterk verbeteren. Zo stijgt het saldo per zeug met 134 euro en dat per geleverd varken met 27 euro. Het arbeidsinkomen per gewerkt uur gaat de hoogte in met 17 euro, wat resulteert in een beter jaarresultaat van 106.000 euro.

Betere bedrijfseconomische resultaten halen is een eerste belangrijke factor in het beperken van de risico’s op een varkensbedrijf. Anderzijds kan je dit ook doen door de marktrisico’s te gaan indekken en door te zorgen voor een goede financiële balans. “Wie op de vrije markt handelt, staat bloot aan zeer grote prijsfluctuaties van zowel varkens, biggen als voeder. Die brengen enorme liquiditeitsrisico’s met zich mee. Cash-overschotten brengen immers weinig op, maar cash-tekorten zijn zeer duur. Vandaar het belang om buffers aan te leggen”, redeneert Swennen.

Marktrisico’s indekken kan door op de termijnmarkt actief te worden of door contracten af te sluiten. “Waar contracten een extreme vorm van risicobeperking zijn, schakelen termijnmarkten volatiliteit niet uit. Maar dergelijke vorm van prijsafdekking op een toekomstig tijdstip laat wel toe om de effectieve leveringsprijs te compenseren. De prijsbepaling gebeurt bovendien transparant en op een onafhankelijke manier”, aldus Swennen.

Toch waarschuwt hij ook meteen voor termijnmarkten. “Je hebt voldoende liquiditeit nodig en dagelijkse opvolging en marktkennis zijn onontbeerlijk. Het is bovendien onvoldoende om enkel op de varkenstermijnmarkt actief te zijn. Je moet je ook op vlak van biggen en grondstoffen indekken om de voornaamste markrisico’s te beheersen.”

Gerelateerde artikels

Er zijn :newsItemCount nieuwe artikels sinds jouw laatste bezoek