duiding

Wouter Wytynck - Boerenbond

duiding
"Kippenboeren halen opgelopen achterstand weer in"
23 september 2009  – Laatst bijgewerkt om 4 april 2020 15:52
Lees meer over:

De economie veert langzaam op, maar bij de boeren kraakt het meer dan ooit in alle geledingen. Of toch niet: de pluimveesector, uitgerekend de bedrijfstak die de voorbije jaren zoveel klappen moest incasseren, boert dezer dagen goed. "Onze kippenbedrijven hebben de voorbije vijftien jaar terrein moeten prijsgeven tegenover de concurrentie, maar die achterstand maken we weer goed", voorspelt kippenexpert Wouter Wytynck van Boerenbond.

De kippenboeren schijnen weinig of geen last te hebben van de economische crisis. Kiezen de consumenten letterlijk en figuurlijk eieren voor hun geld?
Wouter Wytynck: De toegenomen prijsgevoeligheid bij consumenten speelt zeker in het voordeel van de leghennenhouders. De gemiddelde Belg verbruikt jaarlijks 91 à 92 verse eieren, en dat aantal stijgt lichtjes. Een ei is nu eenmaal een goedkoop basisproduct. Daarnaast is de positieve situatie ook te wijten aan gedaalde veevoederprijzen en de omschakeling naar alternatieve huisvestingssystemen in Duitsland. Omdat er daar nu veel nieuwe stallen moeten gebouwd worden, is er een tijdelijk tekort aan eieren op de Duitse markt. Voor onze pluimveehouders is dat een belangrijk afzetgebied, al verloopt de export grotendeels via Nederland. De huidige ademruimte is trouwens bijzonder welkom, want de marktprijs voor eieren is tussen 2003 en 2007 door een diep dal gegaan.

Europa verbiedt de klassieke batterijkooi vanaf 2012, maar de Duitsers zijn heel streng geweest voor hun leghennenhouders?
Vóór 2010 moeten ze omschakelen, en bovendien geldt er een verbod op de standaardversie van de verrijkte kooi. De Duitse wetgever laat de kleinvolière wel toe, maar de supermarktketens lusten geen eieren die afkomstig zijn uit dat huisvestingssysteem en zijn daarom toch overgeschakeld op alternatieve eieren. Net zoals bij ons zijn er in Duitsland veel leghennenhouders die de pensioenleeftijd naderen. In die context valt het te verwachten dat nogal wat Duitse kippenboeren niet meer zullen investeren in nieuwe stallen. Tegelijk merken we echter ook dat een aantal grote Duitse bedrijven naar Polen verhuizen, waar zij investeren in verrijkte kooien. Eens die bedrijven op volle productie komen, kan de markt van alternatieve eieren onder druk komen te staan. Dit zal onvermijdelijk ook implicaties hebben op onze uitvoercijfers. En als er druk ontstaat op de markt van de alternatieve eieren, waait die snel over naar de handel in kooieieren. De huidige toestand kan dus snel omslaan.

Ook de braadkippensector gaat het momenteel voor de wind?
Vorig jaar maakte deze bedrijfstak een donkere periode door als gevolg van hoge energiekosten en grondstoffenprijzen. Gelukkig is de hemel van die kant min of meer opgeklaard en aan consumentenzijde beantwoordt kip aan een aantal belangrijke consumententrends: het is gezond en goedkoop. Het verbruik schommelt in ons land al enkele jaren rond 19,5 kilogram, terwijl andere vleessoorten zich veel moeilijker kunnen handhaven. Bovendien profiteren onze pluimveehouders van de toenemende welvaart in Oost-Europa. Door hun stijgende koopkracht consumeren die mensen meer vlees, en dan gaat het in de eerste plaats om kip. Dat is een aardige opsteker, want kleine schommelingen tussen vraag en aanbod maken in de braadkippensector het verschil tussen een goede en slechte prijs.

Dit voorjaar was er nog heel veel commotie over de manier waarop de prijs voor braadkippen tot stand komt. Kippenboer André Verbist uit Kieldrecht nam zelfs een deurwaarder mee naar Café Palace in Deinze, waar de leden van de prijzencommissie elkaar wekelijks ontmoeten. Uiteindelijk ging zelfs minister voor Ondernemen Van Quickenborne zich met de zaak bemoeien.
Het is logisch dat de frustraties bij pluimveehouders hoog oplopen wanneer ze maandenlang onder de kostprijs moeten verkopen. Maar de slechte prijsvorming had niets te maken met de manier waarop de prijs in Deinze tot stand komt. Zes vertegenwoordigers uit de sector en zes afgevaardigden van de slachthuizen en handel bediscussiëren eerst apart de marktsituatie en zitten daarna samen rond de tafel. De zoektocht naar een compromis is zeker geen nattevingerwerk, want beide partijen zijn heel goed op de hoogte van hetgeen reilt en zeilt op de markt. Als we de prijzen in Deinze vergelijken met die in het buitenland, blijkt trouwens dat we heel goede prijzen noteren. Verbist is van oordeel dat er een vaste en kostendekkende prijs moet komen, maar dat lijkt me een gevaarlijk uitgangspunt voor de dynamiek in de sector.

Van prijsafspraken of kartelvorming is geen sprake?
Niemand is verplicht om de prijs van Deinze te volgen, het is een vrijwillig systeem. Naar ons oordeel is er dus geen sprake van kartelvorming. Laat duidelijk zijn dat Boerenbond zelf vragende partij is voor meer prijstransparantie, en dus hebben we ook geen moeite met het onderzoek dat Van Quickenborne ingesteld heeft.

In Vlaanderen is het aantal veehouders de jongste jaren in vrije val. Geldt dat ook voor de pluimveehouderij?
Veel braadkippenhouders hebben er de brui aan gegeven na de dioxinesector en in de leghennenhouderij hebben velen afgehaakt na alle miserie rond de vogelgriep. Een zestal jaren geleden schakelden een aantal braadkippenhouders over naar de legkippensector om te kunnen profiteren van de hoge prijzen voor scharreleieren, maar finaal belandden ook zij van de regen in de drop. Momenteel zit het ook niet goed met de leeftijdspiramide in onze leghennenhouderij. De gemiddelde leeftijd ligt hier rond de 55 jaar, waardoor we er rekening mee moeten houden dat bijna de helft van de bedrijven binnen vijf jaar verdwenen zal zijn. Op dit ogenblik tellen we in Vlaanderen nog 430 professionele legkippenbedrijven, en allicht zullen we heel snel evolueren naar 200 à 250 overblijvers. De gemiddelde braadkippenhouder is ongeveer 47 jaar oud, en dus is de toestand in deze sector iets minder nijpend. Toch verwacht ik dat ook het aantal braadkippenbedrijven de komende tien jaar fors zal krimpen, van een duizendtal vandaag tot ongeveer 550 à 600.

Moet een syndicale organisatie dan niet de alarmbel luiden?
Het is natuurlijk jammer dat er niet zoveel opvolgers zijn, maar anderzijds zien we dat er een positieve kentering aan de gang is. Je moet weten dat de pluimveesector vanaf midden jaren negentig geconfronteerd werd met een bouwstop, die jarenlang de dynamiek uit onze bedrijven heeft weggezogen. Maar door het principe van de groei mits mestverwerking uit het jongste mestdecreet en de positievere beeldvorming van de pluimveehouderij merken we dat afgestudeerden het opnieuw aandurven om in de sector te stappen. Na meer dan tien jaar is er weer instroom. Dat is trouwens ook de verdienste van onze belangenverdediging, want wij zijn de voorbije jaren blijven knokken voor een werkbaar kader: de afstandsregels zijn weer proportioneel, het mestdecreet is op een realistische leest geschoeid en voor onze mestexport hebben we een sterke marktpositie opgebouwd.

De pluimveestapel is de voorbije jaren wel aanzienlijk gekrompen?
Het aantal legkippen is gedaald van dertien naar minder dan acht miljoen stuks, waardoor de zelfvoorzieningsgraad daalde van 175 naar 105 procent. Maar door de heropleving verwacht ik dat Vlaanderen binnen enkele jaren weer tien miljoen legkippen huisvest. Een heel belangrijk aandachtspunt voor de komende jaren wordt de structuur van onze bedrijven.

Wat is daar mis mee?
Een gemiddeld kippenbedrijf in Vlaanderen telt 30.000 à 35.000 dieren, maar eigenlijk heb je 75.000 kippen nodig om een leefbaar gezinsinkomen te genereren. Om de eindjes aan elkaar te knopen, gaat op veel bedrijven één van beide partners buitenshuis werken. Vóór de bouwstop stonden we met onze schaalgrootte nog aan de Europese top, maar andere landen hebben ons intussen voorbijgestoken. Dankzij de nieuwe wetgeving ben ik er echter van overtuigd dat we onze achterstand in een periode van vijf jaar kunnen wegwerken. Wie vandaag een bedrijf heeft van 40.000 kippen en nog ambities heeft, maakt zich klaar om uit te breiden.

Is er in het verstedelijkte Vlaanderen nog wel ruimte om te groeien? Kippenboeren moeten hun mest kwijtraken, de ammoniakemissies bedwingen, en dan nog klagen actiecomités over buurthinder.
De grote getallen zorgen voor een verkeerde perceptie in onze sector. Veel mensen associëren 70.000 kippen met een industrieel complex, maar als ze vervolgens de stallen bezoeken, blijkt dat allemaal heel erg mee te vallen. Het grootste probleem zijn de stedelijke inwijkelingen op het platteland, die graag genieten van de lusten op de boerenbuiten zonder de lasten te aanvaarden. Wat ons betreft, moet de wetgever er zo snel mogelijk voor zorgen dat agrarische bedrijven in landbouwgebied veel soepeler kunnen groeien. Bij vergunningsprocedures weegt een klacht van een buurtbewoner op dit ogenblik even zwaar, ongeacht of het geviseerde landbouwbedrijf in een woon- of landbouwzone ligt. Dat is toch niet logisch?

Verwacht u dat de heropleving van de pluimveesector in Vlaanderen duurzaam zal zijn?
We beschikken in elk geval over een aantal belangrijke troeven. Onze pluimveehouders zijn op technisch vlak uitstekend geschoold, het keurmerk Belplume garandeert een hoge kwaliteitsstandaard, het onderzoek in onze regio krijgt waardering tot ver buiten de landsgrenzen en tot slot beschikken we over toeleveringsbedrijven die tot de wereldtop behoren. Denk maar aan de stalinrichting van Roxelle of de broeierijinstallaties van Petersime. Die bedrijven beschouwen Vlaanderen als hun proeftuin, en dat speelt natuurlijk in de kaart van onze pluimveehouders. Anderzijds blijven de milieudossiers nog altijd een belangrijke bedreiging. Kippenboeren moeten behoedzaam omspringen met milieu-investeringen want de winstmarges in de sector zijn miniem.

Het is nu tien jaar geleden dat Europa beslist heeft om de klassieke batterijkooien voor leghennen af te schaffen in 2012. Hoe is het mogelijk dat de meeste leghennenhouders niet tijdig klaar zullen zijn?
Omschakelen kost al gauw een miljoen euro en door de crisissen van de voorbije jaren is zo’n investering voor veel bedrijven geen klein bier. Nogal wat oudere bedrijfsleiders zullen dan ook afhaken. Een belangrijke factor die de investeringen geremd heeft, is de onzekerheid. Pas vorige maand heeft de bevoegde commissie het advies uitgebracht dat een verbod op verrijkte kooien er ten vroegste mag komen in 2025. Vergeet ook niet dat veel batterijkooien nog altijd niet afgeschreven zijn, ook al is er de jongste tien jaar geen enkel exemplaar meer bijgekomen. Bovendien zijn er momenteel, door de moeilijke prijsvorming van de afgelopen jaren, over het algemeen te weinig financiële reserves aanwezig om de omvorming op een gezonde manier te laten verlopen.

Wat moet Europa straks doen wanneer zal blijken dat leghennenhouders in heel wat lidstaten nog niet omgeschakeld zijn?
Onze grote vrees is dat men in een aantal Zuid- en Oost-Europese landen een gedoogbeleid zal installeren die onze concurrentiepositie aantast. Anderzijds begrijp ik ook wel dat het geen goed signaal zou zijn indien Europa het verbod op batterijkooien alsnog terugdraait. Dat vragen we dus niet, maar omschakelende boeren verdienen wel meer steun. Kippenboeren die investeren in alternatieve systemen krijgen vandaag twintig procent investeringssteun, voor verrijkte kooien is dat tien procent. Voor beide systemen zou dat de komende jaren het hoogst mogelijke steunpercentage moeten zijn, en dit tot de hele sector omgeschakeld is.

In de grote supermarktketens worden niet langer kooieieren aangeboden. Vindt u het voor het dierenwelzijn niet belangrijk dat ook onze brekerijen die trend volgen? Uiteindelijk gaat zestig procent van de geproduceerde eieren in Vlaanderen naar de brekerij.
Ik wil eerst iets nuanceren: de supermarktketens beweren dat ze eieren uit de verrijkte kooi weren omdat die niet diervriendelijk genoeg is, terwijl de wetenschappers geen uitsluitsel kunnen geven over welk systeem nu uiteindelijk het meest diervriendelijk is. Het is de distributie dus eerder te doen om de winstmarges. Als ze enkel redeneren vanuit het dierenwelzijn, zou het perfect mogelijk moeten zijn om in de toekomst opnieuw eieren uit verrijkte kooien in de winkelrekken aan te bieden, bijvoorbeeld als ‘wit’ product. En wat onze brekerijen betreft: die zullen de kooieieren in elk geval niet in de ban slaan. Hier staat de kostprijs centraal en zij moeten het hoofd bieden aan de internationale concurrentie. Voor een aantal nicheproducten maken ze graag gebruik van scharreleieren, maar de hoofdmoot bestaat uit kooieieren.

Ze hanteren de economische logica.
Natuurlijk. Bij de boer betaal je gemiddeld per honderd eieren 1,25 euro méér indien je alternatieve exemplaren wenst. Mocht de verrijkte kooi ooit afgeschaft worden, zullen een aantal brekerijen wegtrekken uit Vlaanderen, waardoor onze leghennenhouders voor hun afzet nog afhankelijker worden van de Nederlandse markt. Zo’n scenario zou onvermijdelijk uitmonden in een nieuwe inkrimping van de sector.

In het voorjaar serveerde Bite Back dode eendagskuikens aan Vlaamse ambtenaren. De actie kantte zich tegen de 3,5 miljoen kuikens die in ons land jaarlijks vergast worden omdat ze economisch waardeloos zijn. Bestaat hier echt geen alternatieve oplossing voor?
Een legkip is helemaal iets anders als een braadkip, hé. Het zou economisch totaal onverantwoord zijn om jonge haantjes uit de leghennensector op te kweken tot slachtrijpe kippen. Je raakt die dieren aan de straatstenen niet kwijt en voor hun welzijn is het ook geen goed idee om ze op massale schaal uit te delen aan gezinnen. Helaas bestaat er op dit ogenblik geen betere oplossing dan ze op een diervriendelijke manier te vergassen. Dat gebeurt met installaties die goedgekeurd zijn en regelmatig geïnspecteerd worden door de overheid. Spijtig genoeg misbruikt de dierenwelzijnsorganisatie Bite Back het sentiment rond de eendagskuikentjes om te scoren in dit dossier.

In welke mate moeten onze kippenboeren vrezen voor goedkope invoer uit landen als Brazilië en Thailand?
Dat blijft een ferme bedreiging. Na het dispuut over de gezouten kipfilets van enkele jaren geleden hebben zowel Brazilië als Thailand een invoercontingent bekomen. De Thai zijn zich als gevolg van de vogelgriepcrisis in hun land weliswaar gaan toeleggen op de uitvoer van verwerkte kipproducten, maar ook die drukken op de Europese pluimveemarkt. Intussen laat Europa op het vlak van export zijn benen wat hangen. Onze bedrijven moeten de klus maar op eigen kracht klaren, en dat is niet makkelijk aangezien we op de wereldmarkt moeten opboksen tegen onder meer Braziliaanse bedrijven die profiteren van hun schaalgrootte, de nabijheid van voedergrondstoffen, het goedkope arbeidspotentieel, de lage koers van de real en de knowhow van westerse investeerders, waardoor ze dezelfde kwaliteit kunnen leveren als wijzelf.

Hoe is het gesteld met de export van eieren?
We zitten daar evengoed in een benarde positie. Europa voert veel verwerkte producten, albumines, uit naar Japan, maar die afzetmarkt staat onder druk door de opmars van opkomende exporteurs zoals India.

Wordt het allemaal nog veel erger als er volgend jaar een Doha-akkoord uit de bus komt?
Gelukkig hebben de onderhandelaars kippenvlees aangemerkt als gevoelig product, en allicht krijgen eieren dezelfde bescherming. Dat biedt onze pluimveehouders een kleine troost. Anderzijds verwacht ik dat een dossier zoals dat van de Amerikaanse chloorkippen via andere diplomatieke wegen snel weer op de politieke tafel zal belanden. Veel beter zou natuurlijk zijn dat Europa de uitvoer van kipproducten weer actief gaat ondersteunen, en de enige manier om dat efficiënt te doen, is door de toekenning van exportsubsidies en goedkope exportkredieten.

Europa zal zijn exportsubsidies volledig afschaffen tegen 2013.
Naarmate de deadline voor een Doha-akkoord opschuift, merk ik dat steeds meer EU- lidstaten voedsel opnieuw als een strategisch goed bestempelen. Dus hoop ik dat een open debat over exportsubsidies nog altijd mogelijk is.

Slotvraag: salmonella is nog altijd een moeilijk dossier?
Wat de bestrijding van salmonella betreft, staan onze leghennenhouders aan de top in Europa. In de braadkippensector ligt het wat moeilijker, want Europa is zinnens om vanaf volgend jaar geen salmonella meer te dulden in het kippenvlees. Vlees met salmonella zou men dan moeten koken, waardoor het minder waard wordt. Mogelijks wil Europa hier een mouw willen aan passen door een behandeling met zuren toe te staan voor positieve loten, maar in dat geval zullen de Amerikanen met hun chloorkippen nog steviger aan onze deur kloppen. Om zo’n scenario te vermijden, gaan we de komende vier jaar samen met het Voedselagentschap intensief werken rond salmonellapreventie in de braadkippenhouderij.

Veel succes.
 

Gerelateerde artikels

Er zijn :newsItemCount nieuwe artikels sinds jouw laatste bezoek