Het voordeel van ‘Agriwilding’: “Landbouw en biodiversiteit hoeven elkaar niet uit te sluiten”
nieuwsDe natuurinclusieve teeltvorm agriwilding belooft een sterke toename van biodiversiteit op productieve landbouwgrond. Dat blijkt uit een doctorale studie van Fien Debusscher binnen de onderzoeksgroep WILD van de Vrije Universiteit Brussel (VUB) . Volgens VUB-professor Franky Bossuyt zijn ook de opbrengsten veelbelovend, al leent het systeem zich niet voor gangbare akkergewassen zoals maïs en aardappelen. Toch zien de onderzoekers belangrijke kansen voor het landbouwbeleid.
Vandaag worden landbouwers vaak vergoed voor tijdelijke natuurherstelmaatregelen of wordt landbouwgrond uit productie genomen om natuur te ontwikkelen. Agriwilding biedt een alternatief waarbij natuurherstel en voedselproductie hand in hand gaan. Het systeem richt zich daarbij vooral op meerjarige teelten, niet op klassieke akkerbouwgewassen.
Hoewel het proefperceel in het Pajottenland slechts twee hectare groot is, kent het een opmerkelijk hoge diversiteit aan vlinders en nachtvlinders. Daarnaast bestaat het systeem uit een mozaïek van graslanden, struiken en bomen. Het systeem gaat nog een stapje verder dan andere agro-ecologische concepten. “Een agriwilding-systeem combineert een wilde vorm van voedselbosjes met bloemrijke graslanden en geïntegreerd waterbeheer”, zegt Bossuyt. “Door een slim ontwerp ontstaat zo een natuurlijk ogend landschap dat, zonder irrigatie, bemesting of gebruik van pesticiden, toch een mooie opbrengst kan leveren”. Een positief gevolg van deze werkwijze is dat de teelt binnen een agriwilding-systeem niet alleen kostenbesparend, maar ook weinig arbeidsintensief is. Zo zouden één boer of één gezin meer dan 50 hectare kunnen onderhouden. “Deze aanpak heeft natuurlijk zijn beperkingen qua teelten”, zegt Bossuyt. “We focussen op gewassen en onderstammen die in deze natuurlijke omgeving kunnen gedijen.”
Geen klassieke perceelsstructuur
De manier van werken gaat natuurlijk ook gepaard met enkele toegevingen. Gewassen worden bijvoorbeeld niet in uniforme, aaneengesloten percelen geplant, maar in kleinere perken of in alley cropping (strokenteelt tussen bomen). “Ik raad landbouwers aan om te kiezen voor een selectie van rendabele gewassen. Wij hebben bijvoorbeeld groene asperges als strokenteelt tussen hazelaars in het gras aangeplant. Net voor de oogst wordt het gras gemaaid waardoor de asperges gemakkelijk geoogst kunnen worden. De opbrengst per hectare is daarbij vergelijkbaar met die van een gemiddelde Europese teler. Dat beschouwen wij als een succesverhaal, zeker omdat we niet irrigeren, bemesten of pesticiden gebruiken. We oogsten alleen.”
Op kleinere oppervlaktes moet de oogst hoofdzakelijk manueel gebeuren. “Daar lijkt agriwilding vooral geschikt voor de korte keten, maar op grotere oppervlaktes is ook een inventieve, machinale aanpak zeker mogelijk”, besluit Bossuyt.
Focus op meerjarige teelten
Of ook gangbare akkergewassen zoals maïs, aardappelen of graan binnen dit plaatje passen? “Binnen een volwaardig agriwilding-systeem niet”, zegt Bossuyt. “Je kan in alley cropping wel nog gangbare gewassen telen terwijl de bomen groeien, maar in een volwassen systeem werk je met meerjarige gewassen. Het principe is dat je één keer plant en daarna vooral de ecologische processen hun gang laat gaan.”
Het principe is dat je één keer plant en daarna vooral de ecologische processen hun gang laat gaan.
Volgens Bossuyt duurt het gemiddeld zo’n zeven jaar voordat de eerste grote effecten van agriwilding zichtbaar worden, zowel op het vlak van biodiversiteit als van opbrengst. “Vanaf dan zie je een enorme toename in biodiversiteit. Afhankelijk van de gekozen teelten komt de opbrengst geleidelijk op gang. Asperges bereiken meestal rond het vierde jaar na aanplant hun volle productie, terwijl notenbomen vaak pas na tien jaar of langer hun maximale opbrengst bereiken. Ook Pawpaw, een Noord-Amerikaanse vrucht met een tropische smaak waarmee we hebben geëxperimenteerd, heeft tijd nodig om zijn volledige productiepotentieel te bereiken.”
Natuurherstel binnen landbouw
Bedrijfseconomisch vormt het overbruggen van de eerste jaren dus de grootste uitdaging. Volgens Bossuyt zou een deel daarvan kunnen worden opgevangen met subsidies. “Ik vind dat dit systeem ondersteuning verdient. Als een landbouwer zijn grond rendabel kan blijven beheren én tegelijk het landschap ecologisch herstelt, is dat wel iets waard.”
Als een landbouwer zijn grond rendabel kan blijven beheren én tegelijk het landschap ecologisch herstelt, is dat wel iets waard
De onderzoekers zien in agriwilding een waardevolle aanvulling binnen het GLB. Vooral in intensief gebruikte landbouwgebieden, waar weinig ruimte is voor extra natuur, zou de aanpak kunnen bijdragen aan een veerkrachtiger landschap. Het bewijs daarvoor fladdert rond op de onderzoekssite. Het proefveld herbergt 30 van de 39 regionale dagvlindersoorten, zelfs meer dan de natuurgebieden die als referentie dienden voor het onderzoek. Ook de populatiegroottes liggen er aanzienlijk hoger. Bovendien kan agriwilding leefgebied creëren voor soorten die elders nauwelijks nog voorkomen.
Hoewel verder onderzoek naar de grootschalige toepassing nodig is, tonen de eerste resultaten aan dat landbouwgronden een veel grotere rol kunnen spelen in biodiversiteitsherstel dan vandaag vaak wordt aangenomen. Ze suggereren bovendien dat agriwilding, mits gerichte ondersteuning, een veelbelovende aanvulling kan zijn op klassieke natuurherstelmaatregelen.
Bron: Eigen berichtgeving
Beeld: VUB