duiding

Tinne Rombouts (CD&V) en Bart Martens (SP.A)

duiding
"De overschotten zijn niet verdwenen". "Komaan zeg"
3 januari 2009  – Laatst bijgewerkt om 4 april 2020 15:52
Lees meer over:
Boeren met een boontje voor Yves Leterme staan voor een verscheurend dilemma: hoe massaler ze op 10 juni kiezen voor de minister-president, hoe groter de kans dat ze hem wegstemmen als Vlaams landbouwminister. “Stem toch maar voor Leterme”, adviseert parlementslid Tinne Rombouts. “Wie dit advies niet opvolgt, kan gerust bij de sp.a terecht”, lacht collega Bart Martens.

In een gesprek met VILT heeft Vande Lanotte gesteld dat landbouw de natuurlijk biotoop is van de christendemocraten, en dat de socialisten daar niet echt wakker van moeten liggen. Voor een dossiervreter als Bart Martens moet dat een frustrerende uitspraak zijn?
Bart Martens: Ach, we zijn nu eenmaal een stadspartij, die goed scoort met burgemeesters zoals Patrick Janssens en Daniël Termont. CD&V is daarentegen bij uitstek de partij van de boeren en buitenlui. Elk proberen we wat buiten onze electorale vijver te vissen, maar daar maken wij ons niet al te veel illusies over. Anderzijds moet je tegelijkertijd vaststellen dat de grenzen tussen stad en platteland steeds meer vervagen. Plattelandsbewoners zijn vragende partij voor een gevarieerder cultureel aanbod in de steden, terwijl stedelingen zich willen ontspannen op de boerenbuiten. Het is dus belangrijk dat we als socialisten zorgen voor een leefbaar platteland, waar bijvoorbeeld ook voldoende ruimte is voor zachte recreatie.

Als beleidscoördinator van Bond Beter Leefmilieu heeft u zich in het verleden stevig vastgebeten in een aantal landbouwdossiers. Volgt u als lid van het Vlaams parlement de agrarische sector nog altijd van even nabij?
Bart Martens: Eigenlijk wel, al is het met ups en downs. Bij de uitwerking van het mestdecreet was ik haast dagelijks met landbouw bezig. Laat ons zeggen dat ik er in totaal ongeveer tien procent van mijn tijd aan besteed, wat veel is aangezien ik ook een rol te vervullen heb als gemeenschapssenator.

Drie jaar geleden zat de landbouwsector nog in zak en as, maar nu is de sfeer helemaal omgeslagen. Een verdienste van het beleid?
Tinne Rombouts: Dat er in alle takken van de landbouwsector sprake is van een economische hoogconjunctuur durf ik zeker niet te beweren. Maar het klopt dat er veel meer optimisme is dan enkele jaren geleden. Als een aantal bedrijven momenteel de wind in de zeilen hebben, is dat in de eerste plaats de verdienste van de bedrijfsleiders. Wel hebben we vanuit het beleid de voorbije jaren verschrikkelijk ons best gedaan om goede randvoorwaarden te scheppen. De boeren krijgen kansen én verantwoordelijkheden om te innoveren en kwaliteitsproducten te ontwikkelen. Dat werpt vruchten af.

Het was opmerkelijk om uit socialistische hoek te vernemen dat het huidige mestdecreet het beste exemplaar is dat ooit in elkaar geknutseld werd?
Bart Martens: Ik sta nog altijd achter die uitspraak. Dit is namelijk het eerste decreet dat de Europese toets kan doorstaan. Doordat de bemesting voortaan afgestemd wordt op de behoefte van de gewassen en de draagkracht van het milieu, en dus niet langer op de capaciteit van mestkelders, hebben we eindelijk uitzicht op een verbeterde kwaliteit van grond- en oppervlaktewater en wordt het ook mogelijk om de eutrofiëring in onze kustwateren terug te dringen. Tegelijkertijd krijgen landbouwers de ruimte om te groeien door de handel in nutriëntenemissierechten. Doordat we bij transacties een afroming van die rechten inbouwen, pakken we ook de mestoverschotten aan. Het mestdecreet is daardoor vanuit milieuoogpunt doeltreffend en economisch is het kostenefficiënt.

De toestemming van minister Peeters om de derogatie meteen toe te passen, was wel een doorn in het oog?
Bart Martens: We hebben helemaal geen problemen met een derogatie op zich. Destijds was het trouwens Bond Beter Leefmilieu dat dit principe lanceerde als flankerende beleidsmaatregel bij de volledige inkleuring van Vlaanderen als kwetsbaar gebied. In die periode wilden de landbouworganisaties echter niks weten van dat voorstel. Mijn enige vrees is dat de huidige derogatie veel omvangrijker is dan hetgeen Europa uiteindelijk zal goedkeuren. In onze buurlanden zijn de toegestane afwijkingen van de bemestingsnorm in elk geval veel beperkter en gekoppeld aan meer voorwaarden. In bijvoorbeeld Duitsland is de derogatie op amper 2,4 procent van de landbouwbedrijven van toepassing en regionale watermaatschappijen moeten er expliciet hun fiat geven over individuele derogaties van boeren. Vlaamse landbouwers die volledig ter goeder trouw gehandeld hebben, riskeren straks een reductie te krijgen van hun bedrijfstoeslag of een administratieve geldboete wegens niet-bewezen mestafzet. Dat risico had ik liever vermeden.

Voor wie uit een milieu van melkveehouders stamt, is het mestdecreet met zijn strenge uitscheidingscijfers moeilijk verteerbaar?
Tinne Rombouts: Ik heb geen zin om een polarisatie tussen de diverse landbouwsectoren op te starten. Het juiste uitgangspunt is dat dit decreet een groot stuk verantwoordelijkheid legt bij elke landbouwer. Dat iedereen links of rechts een bepaling graag anders ingevuld had gezien, kan ik best begrijpen. Maar de realiteit is dat we met een Europese veroordeling opgescheept zitten. De strenge uitscheidingscijfers in de melkveehouderij worden ons opgelegd door de Commissie. Mag ik overigens opmerken dat de normen in bijvoorbeeld Nederland nog strenger zijn? We hebben gelukkig wetenschappelijk kunnen onderbouwen dat onze melkveehouders een ander voedersysteem en bedrijfsbeheer toepassen, waardoor Europa er uiteindelijk mee ingestemd heeft om een aantal cijfers afhankelijk te maken van het toegediende rantsoen. Ik ben ervan overtuigd dat de boeren zich vlot zullen aanpassen aan het mestdecreet, op voorwaarde dat ze de kans krijgen om een leerproces door te maken. Bij de begeleiding van dat proces speelt de Mestbank een cruciale rol. Ik ben echt benieuwd in welke mate deze instelling zich kan omturnen in een boervriendelijke organisatie.

Enkele weken geleden was er opnieuw hoogspanning tussen de landbouw- en natuursector. Hoe hebben jullie de uitval van Natuurpunt naar het beleid van minister Peeters geïnterpreteerd?
Bart Martens: Het is logisch dat zowel bij de landbouw- als natuursector de nervositeit toeneemt aangezien het afbakeningsproces in het buitengebied tergend traag verloopt. Vandaag is het buitengebied een mozaïek van te kleine landbouwpercelen met hier en daar kleine stukjes bos en natuurgebied. Om de biodiversiteit in stand te houden, moeten deze puzzelstukken verbonden worden tot grotere eenheden natuur en moeten netwerken gecreëerd worden van aaneengesloten groengebieden. Maar er zijn op dit ogenblik nog maar bitter weinig groene RUP’s (ruimtelijke uitvoeringsplannen, nvdr) opgemaakt. We roepen onze coalitiepartners op om hier heel dringend werk van te maken, te beginnen in de pilootregio’s Haspengouw-Voeren en Kust-Polders-Westhoek. Dat er nog wat enkelingen tegenstribbelen, mag niet langer een alibi zijn om deze dossiers te blokkeren. Daarnaast stel ik vast dat de landbouwsector het principe van de natuurverwevingsgebieden steeds nadrukkelijker in vraag stelt en natuurelementen in landbouwgebied als ‘zonevreemd’ begint te aanzien.
Tinne Rombouts: Niet akkoord. Landbouwers zijn helemaal niet vies van natuurbeheer, en ik ben er dan ook zeker van dat een aantal natuurverwevingsgebieden zullen aangeduid worden. Maar de boeren hebben wel nood aan rechtszekerheid: de schrik bestaat dat de stimulerende maatregelen in zo’n gebied op zekere dag verplichtende maatregelen worden. Door een planschaderegeling in te voeren, zou bij landbouwers al een groot stuk onzekerheid kunnen weggenomen worden.
Bart Martens: Het instrumentarium voor een riante uitstap is nu al voorhanden, en er zijn bovendien gesprekken aan de gang om dat nog verder uit te diepen, waarbij trouwens ook gepraat wordt over planschade. Maar laten we ook niet blind blijven. Door het groot aantal stoppende boeren komen gronden vrij waarmee we heel wat kunnen aanvangen, gaande van bosuitbreiding tot de aanleg van extra overstromingsgebieden én groeikansen voor de overblijvende landbouwbedrijven. Een instrument zoals een grondenbank kan dat proces ordenen.
Tinne Rombouts: In dit debat moet je altijd in het achterhoofd houden dat de meeste landbouwers bij een onteigening niet zomaar vrede met een enveloppe. Ze willen verder boeren zodat ze hun gezinsinkomen vrijwaren.

De biobrandstoffen zijn bezig aan een steile opmars in de wereld. Een goeie zaak voor de landbouwmarkten én voor het milieu?
Bart Martens: Het belang van bio-energie zal alleen maar toenemen. Maar er is wel een certificeringssysteem nodig om het gebruik van duurzaam geteelde grondstoffen te garanderen. Het is idioot om in Maleisië of Indonesië tropisch regenwoud te kappen om er palmolieplantages te exploiteren voor de productie van biobrandstof. We moeten op een slimme manier omspringen met dit dossier. Zo hebben we onlangs een actieplan gelanceerd om voeding en biobrandstoffen met elkaar te verzoenen in Congo. Dat land telde in 1960 maar liefst 250.000 hectare palmolieplantages, maar dat aantal is tot een minimum herleid waardoor het vandaag netto invoerder is van palmolie. Door weer massaal te investeren in deze plantages met fondsen van Ontwikkelingssamenwerking willen we de kleine boeren een inkomen bezorgen en de lokale markten weer zelfvoorzienend maken voor palmolie. Wat dan nog overblijft, kan geëxporteerd worden als biobrandstof. In eigen land zijn er mogelijkheden met de koude persing van koolzaad, die niet alleen olie maar ook koolzaadkoeken oplevert. Dit eiwitrijke voeder stelt ons in staat om minerale kringlopen te sluiten, waardoor Brazilië gespaard blijft van monoculturen en Vlaanderen van mestoverschotten.
Tinne Rombouts: Met die redenering zijn we het grotendeels eens. Van bij de start hebben we duidelijk gesteld dat de kansen voor de teelt van energiegewassen in onze regio eerder beperkt zijn, maar een aantal bedrijven kunnen zeker een mooie toekomst uitbouwen in deze niche. Daarom heb ik altijd op de kansen voor pure plantenolie gewezen. Het landbouwonderzoek zal de komende jaren trouwens nog bijkomende mogelijkheden ontwikkelen voor de duurzame productie van bio-energie.
Bart Martens: Het komt er gewoon op aan de collateral damage uit te schakelen.

De braadkippensector heeft enkele weken geleden een belangrijke slag thuis gehaald doordat de EU een bezettingsgraad van 42 kilogram per vierkante meter toelaat. Moeten we daar blij mee zijn?
Tinne Rombouts: Wetenschappers zijn het onderling niet eens of dit nu de ideale norm is, en dus voel ik me zelf niet geroepen om daar uitspraken over te doen. Belangrijk is vooral dat er eindelijk een norm komt die in heel Europa zal toegepast worden, waardoor er een einde komt aan de concurrentievervalsing. Eigenlijk moeten we nog een stap verder gaan en ervoor zorgen dat de ingevoerde producten uit derde landen ook aan onze standaarden voldoen.
Bart Martens: Het bereikte compromis is een absoluut minimum. Ik ga er van uit dat onze voedingsproducten sowieso steeds diervriendelijker geproduceerd zullen worden. Als de overheid geen strenge normen oplegt, dan doen de supermarkten het wel in hun lastenboeken. Zelf pleit ik er dan ook voor om veehouders die strengere welzijnsnormen hanteren dan de Europese voorschriften financieel te belonen. Over de hiaten in het internationaal handelsverkeer zijn we het eens: het is jammer dat de EU in functie van meer dierenwelzijn geen invoerbeperkingen mag opleggen. Als we straks de klassieke legbatterijen verbieden, kunnen we eieren van dergelijke systemen uit derde landen niet tegenhouden. Op die manier dreigen we problemen op vlak van dierenwelzijn te verplaatsen in plaats van op te lossen.

Is het een utopie om te verwachten dat de Wereldhandelsorganisatie de ‘non-trade concerns’ alsnog op de onderhandelingstafel legt?
Bart Martens: Als de Europese Unie in dat dossier met één stem zou spreken, denk ik dat veel mogelijk is. Maar er is een totaal gebrek aan coördinatie.

In een recent persbericht hield Ludo Sannen een pleidooi om de bloeiende paardensector een uitdrukkelijke plaats te geven in het plattelandsbeleid. Welke visie schuilt daarachter?
Bart Martens: Wie paarden fokt, hoort met die bezigheid thuis in landbouwgebied. Maneges waar geen paarden gefokt worden, moeten vandaag uitwijken naar recreatiezones. Het wordt dus tijd dat er een geïntegreerd beleid komt voor die activiteit. Liefst als onderdeel van een verbrede plattelandseconomie met de nodige aandacht voor ons landschappelijk patrimonium. Momenteel wordt de tweede pijler van het landbouwbeleid wat verwaarloosd. De sp.a wil meer investeren in bijvoorbeeld slooppremies voor leegstaande stallen, blauwe diensten, de aanleg van kleine landschapselementen, enzovoort. Met de oprichting van de Regionale Landschappen hebben we een eerste belangrijke stap gezet om de leefbaarheid van het platteland te verbeteren. Door de diversificatie in de landbouw aan te moedigen, kunnen we nog meer vooruitgang boeken.
Tinne Rombouts: Sommigen laten zich verblinden door de pot geld die verbonden is aan de tweede pijler van het landbouwbeleid en willen daarmee plots allerlei acties financieren op het platteland. Maar om op een structurele manier een geïntegreerd plattelandsbeleid uit te bouwen, werd twee jaar geleden het Interbestuurlijk Plattelandsoverleg (IPO) opgestart. Daarbij is het de bedoeling dat de diverse beleidsdomeinen nadenken hoe ze met eigen middelen kunnen inspelen op de specifieke noden die bestaan in het buitengebied. Van zo’n nieuw initiatief kan je op korte termijn natuurlijk geen spectaculaire resultaten verwachten. Dat de denkoefening op de rails staat, is al een belangrijke verwezenlijking.
Bart Martens: Ik krijg vaak de indruk dat de vis in het water verdronken wordt. Als je in zo’n overlegstructuur álle beleidsdomeinen wil betrekken, verzeil je al snel in een praatbarak. Het is tijd dat het IPO met concrete resultaten voor de dag komt. Dat we willen beknibbelen op landbouwsubsidies is overigens niet correct. We betreuren dat de Europese regeringsleiders anderhalf jaar geleden gesnoeid hebben in de plattelandsfondsen en pleiten ervoor dat het totale volume aan landbouwsubsidies ook na 2013 behouden blijft. Wel zijn we voorstander van een stevige modulatie: door de exportsubsidies af te schaffen en subsidieplafonds in te voeren voor grote landbouwbedrijven kan nog veel meer geld naar de tweede pijler vloeien, waardoor de landbouw zich nog veel nadrukkelijker kan concentreren op meerwaardecreatie. Je moet toegeven dat met het geld voor het markt- en inkomensbeleid nog altijd overschotten geproduceerd worden…
Tinne Rombouts: Komaan, zeg! Het landbouwbeleid is door de afschaffing van de productiesteun toch een heel andere richting ingeslagen.

Leterme is mogelijk bezig aan zijn laatste dagen als Vlaams landbouwminister. Wat zal u onthouden van zijn beleid?
Tinne Rombouts: Overleg met alle partijen is niet altijd de makkelijkste weg, maar die aanpak werd heel consequent gevolgd. Belangrijk is ook dat de sector weer verantwoordelijkheden toegeschoven krijgt, waarbij een redelijk evenwicht nagestreefd wordt tussen sociale, ecologische en economische duurzaamheidaspecten. Door boeren wat meer ademruimte te geven, krijgt de sector volop de kans om te werken aan vernieuwing, professionalisering en kwaliteitsverbetering. Er kwam ook een ambitieus jongerenactieplan, er werden initiatieven genomen rond samenwerking…
Bart Martens: Positief is vooral dat een inhaalbeweging werd uitgevoerd om duurzame energie in te zetten in de glastuinbouw, met als belangrijk beleidsinstrument de introductie van WKK-certificaten.

Waarom moeten de landbouwers straks op uw partij stemmen?
Tinne Rombouts: We kennen de land- en tuinbouwsector als onze broekzak en bieden altijd een luisterend oor aan. Ook op federaal niveau, want daar hebben we mensen zoals Nathalie Muylle, Jef Van den Bergh en Mark Verhaegen die als kamerlid erg betrokken zijn bij de landbouw. Rechtszekerheid is voor ons een prioriteit, we hebben volop vertrouwen in de sector en staan klaar om samen met de boeren en tuinders nieuwe uitdagingen aan te pakken.
Bart Martens: De socialisten hebben zich nooit bezondigd aan valse beloften. We hebben de landbouwers altijd het kader voorgehouden waarin de sector zich moet bewegen. Op die manier hebben we de boeren en tuinders nooit met risico’s opgezadeld waar ze achteraf de dupe van werden. Daarnaast mikken we met de landbouwsector volop op toegevoegde waarde in functie van een kwaliteitsvoller platteland. Waar nodig is dat voor ons zeker een correcte vergoeding waard.
 

Gerelateerde artikels

Er zijn :newsItemCount nieuwe artikels sinds jouw laatste bezoek