Kris Peeters - minister van Landbouw
duidingMaar een minister kan wel signalen geven. Welk gevoel had u bij het kort geding van Campina?
Kris Peeters: Zonder me op enige manier te mengen in het inhoudelijk debat, vind ik het persoonlijk jammer dat partijen bij dergelijke discussies zo snel naar de rechtbank stappen. Commerciële geschillen worden beter binnen de voedselkolom opgelost. Desnoods wil ik initiatieven nemen om tot een andere benadering te komen.
Samenwerking is één van de pijlers in de beleidsnota van uw voorganger. Maar het conflictmodel haalt het nog vaak op initiatieven voor gezamenlijke meerwaardecreatie?
Het feit dat veel bedrijven nu op zoek gaan naar een nieuw prijsevenwicht zal de bestaande spanningen niet gauw doen afnemen. Uit mijn contacten in de agrarische sector heb ik bovendien geleerd dat de internationale concurrentiestrijd bikkelhard is, met winstmarges op het scherp van de snee. Maar we moeten leren concurreren op een verstandige manier. Niet met rechtszaken, wel op basis van partnerships. Ik hoop dat de grondstoffenprijzen stabiliseren en verder wil ik net zoals Yves Leterme de samenwerking in de keten stimuleren met projecten zoals de oprichting van telervereniging Ingro. Maar de aanzet hiervoor moet wel vanuit de sector zelf komen, en vanuit die kant is het momenteel windstil.
Eén van uw eerste maatregelen als landbouwminister was de verhoging van de minimumdrempel voor VLIF-steun. Boerenbond reageerde allicht kribbiger dan u vooraf had ingeschat?
De reactie op de ingevoerde maatregelen was begrijpelijk, maar toch wat overdreven. Het gaat niet om een saneringsoperatie, hé. In deze legislatuur werd het budget voor investeringsteun jaar na jaar verhoogd. Vorige vrijdag nog heb ik in het kader van de begrotingsbesprekingen van de Vlaamse regering voor een extra injectie van tien miljoen euro gezorgd. Zoals u weet, is het aantal investeringsdossiers door de positieve conjunctuur in de landbouwsector sterk toegenomen. Om de afhandeling te versnellen en tegelijk de uitgaven onder controle te houden, heb ik beslist dat boeren en tuinders nog maar één keer per jaar een dossier mogen indienen. De verhoging van het minimale investeringsbedrag van 6.250 naar 15.000 euro is daar een logisch gevolg van. Daarmee keren we gewoon terug naar de situatie van enkele jaren geleden, voordat de toenmalige groene minister de minimuminvestering verlaagde ten behoeve van hobbyboeren. Ik wil er ook op wijzen dat het VLIF er niet is om dagdagelijkse investeringen te subsidiëren en dat het Vlaamse ondersteuningssysteem nog altijd het meest lucratieve is in Europa. In andere sectoren geldt trouwens een call-systeem, waarbij bedrijven nooit zeker zijn dat hun projecten weerhouden worden.
Het is de Europese Commissie niet ontgaan dat Vlaanderen in zijn nieuw programma voor plattelandsontwikkeling slechts het minimum van het door Europa opgelegde budget aan agromilieumaatregelen spendeert, met name 25 procent. Is dat wel verstandig met het oog op de goedkeuring van de derogatie?
De realiteit is dat we voor plattelandsontwikkeling minder geld krijgen van Europa en dat Vlaanderen noodgedwongen financieel moet bijspringen. Dat is in de eerste plaats nodig om de continuïteit van de vorige programmaperiode te garanderen. Waar extra uitgaven ontstaan, zullen we die trachten te dekken met Vlaams geld. Vanaf dit jaar zal dat bijvoorbeeld gebeuren voor beheersovereenkomsten. Op die manier moeten we niet ingaan op het voorstel van Europa om de economisch georiënteerde plattelandssteun af te bouwen, hetgeen zou leiden tot nog grotere tekorten aan investeringssteun. En vergeet niet dat de meeste investeringen die in aanmerking komen voor VLIF-steun gericht zijn op duurzame bedrijfsaspecten zoals dierenwelzijn, energiebesparing en milieubewustzijn. Er bestaan nauwelijks nog subsidiabele investeringen die louter productie-uitbreiding beogen.
U heeft de portefeuille van Natuur geruild voor die van Landbouw. Maar het spanningsveld tussen beide beleidsdomeinen blijft bestaan.
De polarisatie van een aantal maanden geleden is toch al wat uitgeklaard. We moeten natuurlijk niet onder stoelen of banken steken dat bepaalde dossiers heel gevoelig liggen. En ook ik zou natuurlijk liever hebben dat het ruimtelijk afbakeningsproces sneller verloopt. De belangenorganisaties hebben er echter op aangedrongen om meer tijd uit te trekken voor inspraak en overleg. Intussen zal collega Van Mechelen er alles aan doen om tegen het einde van deze legislatuur een groot deel van dat proces af te ronden. Dat zal heel wat onderlinge wrevel wegnemen. Daarnaast blijf ik zelf voorstander van een participatief milieubeleid: ook met het oog op natuurbescherming zou het dom zijn om de dynamiek in de landbouwsector te verstoren.
Is een grotere modulatie geen aantrekkelijke optie? Nog meer geld voor het plattelandsbeleid kan het maatschappelijk draagvlak van de landbouw in het verstedelijkte Vlaanderen verhogen?
Misschien komt die vraag aan bod tijdens de ‘health check’ van het Europees landbouwbeleid, maar ik weet niet of men steeds in termen van meer geld moet spreken. Met een oordeelkundige inzet van de huidige beschikbare middelen gebeurt er al heel wat om onze land- en tuinbouw in te bedden in het maatschappelijk weefsel. Denk aan de initiatieven op het vlak van plattelandstoerisme, streekgerechten en fietsroutes. Ook de plattelandsprojecten van de provinciebesturen bevatten tal van maatregelen om de moderne landbouw in te passen in een kwaliteitsvol platteland. We blijven betreuren dat Europa twee jaar geleden gesnoeid heeft in de plattelandsfondsen, maar we staan daarom nog niet te springen om een stuk inkomenssteun van de landbouwers af te pakken.
Drie jaar geleden werd interbestuurlijk overleg opgestart om een geïntegreerd plattelandsbeleid uit te werken. Over de concrete resultaten wordt heel weinig gecommuniceerd naar de buitenwereld.
Dan moeten we misschien eens bekijken hoe die communicatie beter kan. En het klopt allicht ook dat nog niet alle beleidsdomeinen doordrongen zijn van alle specifieke noden die leven op het platteland. Maar je kan anderzijds toch niet naast de vele initiatieven kijken. Een goed voorbeeld is het project van de Merode, waar de resultaten op het terrein vandaag al zichtbaar zijn. Intussen is ook al een belangrijke versoepeling voor het hoevetoerisme van kracht, het dossier van de stiltegebieden is in beweging, net zoals dat van de buurtwinkels. We mikken met deze projecten bewust op ‘quick wins’ in plaats van te bakkeleien over een theoretische visietekst waarmee je op het terrein niks realiseert. We zijn ook bezig om tegen het eind van de legislatuur een reeks concrete knelpunten en oplossingen te bundelen in een zogenaamd plattelandsbeleidsplan. De timing van dat project zit perfect op schema.
U bent nog steeds bevoegd voor de Vlaamse havens. Bent u er zich bewust van dat de impact van het ruimtelijk waterbeleid op de landbouw de komende jaren schrikwekkend groot wordt? Het gaat over bekkenbeheersplannen en natuurcompensaties, maar ook over de strategische uitbreidingsplannen die de havens van Antwerpen en Gent aan het opmaken zijn.
Ik begrijp de bezorgdheid die hieromtrent leeft bij de landbouwers. De havenontwikkeling heeft in het verleden al heel wat agrarische offers gevergd. Uit het dossier van het Deurganckdok hebben we geleerd dat havenuitbreidingen zéér voorzichtig moeten aangepakt worden. Deze regering heeft ervoor gezorgd dat de landbouwsector opnieuw nadrukkelijk betrokken is bij de besluitvorming rond alle plannen. Op dat overleg zal ik trouwens persoonlijk toezien. Het uitgangspunt is dat er geen landbouwgrond nodeloos mag verloren gaan. Wanneer er toch herbestemmingen nodig zijn, is een flankerend beleid noodzakelijk. Ook hiervoor hebben we de nodige inspanningen gedaan. Tot slot wil ik er op wijzen dat de ontwikkeling van havens ook voordelen biedt aan de land- en tuinbouwsector. Op dit ogenblik bestuderen we hoe de restwarmte die bijvoorbeeld beschikbaar is in het industriegebied op Linkeroever kan doorgespeeld worden naar de glastuinbouw.
In het voorjaar heeft u de derogatie onverwijld ingevoerd. Maar raakt ze straks ook goedgekeurd door Europa?
Het dossier zit nu in de eindfase, en we doen er nog altijd alles aan om iedereen in Europa te overtuigen van de wetenschappelijke onderbouw van ons derogatieverzoek. Maar de sector moet ook realistisch zijn: het nitraatcomité heeft ook niet de wensen van andere lidstaten onverkort ingewilligd. Op een aantal punten verwacht ik dus een bijsturing. Maar ik besef heel goed dat alleen een goede derogatie een waardig sluitstuk kan vormen voor de moeilijke evenwichtsoefening die we met de invoering van het mestdecreet bijna voltooid hebben. Als dat slotakkoord er niet komt, zou dat de sector met heel wat extra kosten voor mestafzet opzadelen.
In dat geval zal men u verwijten dat de derogatie te snel werd goedgekeurd?
Ik geef toe dat ik in dit dossier mijn nek uitgestoken heb. Maar we zaten dan ook in een eigenaardige situatie: door het nieuwe mestdecreet had de vorige derogatie geen wettelijke basis meer. Omdat ook Duitsland zijn aangevraagde derogatie vervroegd heeft toegekend, heb ik dat voorbeeld gevolgd. Waarbij we overigens de nodige randvoorwaarden gehanteerd hebben.
De ultieme test is de waterkwaliteit. Zit u stiekem te hopen dat het deze winter niet te veel regent, waardoor de nitraatuitspoeling beperkt blijft?
Voor de landbouw is 2007 een overgangsjaar, maar volgend jaar moeten er op het vlak van de waterkwaliteit zeker positieve effecten waarneembaar zijn. Voor veel individuele boeren zijn de teruggeschroefde bemestingsnormen een zware dobber, maar de sector heeft heel goed begrepen dat er geen weg terug is. Ik heb gemerkt dat er enkele dagen geleden heel wat gemotiveerde groentetelers aanwezig waren op de bemestingsboulevard die werd aangelegd op de terreinen van de Werktuigendagen in Oudenaarde.
De telers van grove groenten klagen over te strenge residunormen. Heeft u voor hen een uitzondering in petto?
Het nieuwe mestdecreet is het eerste dat zoveel aandacht besteedt aan de tuinbouwsector. Na intens overleg werden al een aantal specifieke bepalingen opgenomen. Intussen werken we aan een wetenschappelijk rapport dat binnen enkele maanden meer klaarheid moet scheppen over de problematiek. Op basis van de bevindingen gaan we met de sector weer rond de tafel zitten. Intussen zet de landbouwadministratie zijn hele demonstratie- en voorlichtingsapparaat in om de tuinders bij te staan. Want het zal sowieso een hele klus blijven om aan alle normen te voldoen, zoveel is duidelijk.
Straks gaat de Commissie de gezondheidstoestand van het Europees landbouwbeleid onderzoeken. Bent u al op de koffie geweest bij Fischer Boel?
Eind deze maand trek ik naar mijn tweede landbouwraad. Allicht kan een onderhoud met de commissaris een van de volgende weken geregeld worden. We moeten nagaan waar het beleid kan vereenvoudigd en verbeterd worden. Het is allicht onvermijdelijk dat bij deze tussentijdse evaluatie de huidige situatie op de landbouwmarkten ter sprake zal komen, evenals de landbouwbegroting na 2013. Maar we moeten ons hoeden om voor de langere termijn nu al onomkeerbare beslissingen te nemen.
Sarkozy heeft te kennen gegeven dat hij niet te beroerd is om te praten over een daling van de landbouwsubsidies bij de besprekingen over een hervorming van de Europese meerjarenbegroting.
Toch denk ik dat de landbouwsector aan Sarkozy een goede bondgenoot heeft. Tot 2013 ligt het Europese landbouwbudget in elk geval vast en door de positieve conjunctuur op de internationale zuivelmarkt is er momenteel zelfs een financieel overschot. Het komt er voor de Europese landbouwministers op aan waakzaam te zijn opdat geen landbouwgelden weggesluisd worden naar bijvoorbeeld ruimtevaartprojecten. En wat er na 2013 moet gebeuren, zal onder meer afhangen van het wereldhandelsoverleg dat momenteel in het slop zit.
In Nederland organiseert de overheid een brede consultatie over het landbouwbeleid. Heeft u de ambitie om in Vlaanderen iets gelijkaardig te doen?
Dat initiatief bij onze noorderburen is een reactie op de afwijzing van de Europese grondwet. De diverse beleidsdomeinen hebben de opdracht gekregen om de betrokkenheid van de burgers te vergroten. Die specifieke context is bij ons niet van toepassing. Wel organiseren we in het voorjaar van 2008 een tentoonstelling in het Vlaams Parlement over de geschiedenis van het Europees landbouwbeleid. We hebben die overigens samen met de Nederlanders uitgewerkt.
Heeft u als landbouwminister de ambitie om nieuwe beleidsaccenten te leggen?
Het werk van mijn voorganger Yves Leterme werd sterk gewaardeerd in de sector en dus heeft het geen zin om radicale wijzigingen door te voeren. Maar de voorbije drie jaar zijn de omgevingsfactoren voor de agrarische sector wel grondig gewijzigd waardoor nieuwe accenten onvermijdelijk zijn. Maar hierover kan ik op dit ogenblik nog niets kwijt. Daarvoor moet u nog enkele weken geduld oefenen.
De hoge grondstoffenprijzen op de wereldmarkt vergen nieuwe visievorming.
Dring niet aan, alstublieft.