duiding

Kris Cooreman - ILVO

duiding
In troebel water is het goed vissen
31 december 2008  – Laatst bijgewerkt om 4 april 2020 15:52
Lees meer over:
"Ik heb begrip voor reders die hun investeringen willen terugverdienen, maar de boomkorvisserij is onherroepelijk voorbijgestreefd. Ook al gebruikt meer dan negentig procent van onze vloot deze techniek". Dat zegt Kris Cooreman van het ILVO-onderzoeksdomein voor visserij. Of we dan moeten vrezen voor het voortbestaan van de Vlaamse visserijsector? "We staan er beter voor dan de Nederlanders".

 

De reders moeten opnieuw opboksen tegen hoge brandstofprijzen en willen dat de overheid bijspringt. Hoe acuut is de crisis in de sector?
Kris Cooreman: De hoge brandstofprijzen zetten het water tot aan de lippen van de reders, maar vormen slechts het topje van een hele ijsberg. De overbevissing is het meest zichtbare milieuprobleem, maar om het mariene milieu te beschermen wil de EU-Commissie bijvoorbeeld ook paal en perk stellen aan de teruggooi van bijvangsten. Bijsturen is niet zo eenvoudig omdat onze visserijvloot door het overwicht van boomkorvaartuigen eenzijdig is op het vlak van zowel methode als doelsoort, terwijl de hoge investeringskosten innovaties bemoeilijken. Je moet weten dat de vissersschepen in ons land grotendeels eigendom zijn van de reders en vissers, terwijl in Nederland de banken de vloot patroneren. En dan is er nog de sociale problematiek: ondanks het familiaal karakter van de bedrijven staan steeds minder jongeren te popelen om dagenlang op zee te verblijven.

Hoeveel vissersboten en reders houden we nog over?
De sector heeft net een saneringsronde met slooppremie voor oudere vaartuigen achter de rug. Er blijven nu nog 105 vissersschepen over, wat ongeveer een kwart is in vergelijking met de jaren zestig. Maar op dat cijfer mag men zich niet blindstaren. Net zoals in de landbouwsector heeft zich in de visserij een forse schaalvergroting voltrokken: de totale capaciteit van de vloot is de voorbije vijftig jaar gestegen van 45.000 tot 60.000 kilowatt. Een gemiddeld schip heeft nu een vermogen van 563 kilwatt, terwijl dat in de jaren zestig amper 134 kilowatt was. Naar schatting tellen we een tachtigtal reders, waarvan de meesten één of twee schepen bezitten. Samen stellen ze 400 à 500 vissers tewerk.

Opmerkelijk is dat de Vlaamse visserijvloot slechts een fractie vangt van de totale visconsumptie in ons land?
Het gaat ongeveer om tien procent. Via een diversificatie van de vloot en de introductie van nieuwe visserijtechnieken heeft de sector zeker nog een groeimarge op de inlandse markt. Naast de bedreigingen zijn er immers ook kansen voor de sector. Door de klimaatverandering duiken nieuwe bevisbare soorten op, zoals zeebaars. En onze vloot bestrijkt een uitgebreid pallet aan visgronden, gaande van de Golf van Biskaje tot de Ierse Zee. Die gunstige spreiding is nog een gevolg van de Tweede Wereldoorlog, toen onze schepen gedwongen werden om verre visgronden te exploiteren. Toen er veel later Europese visquota kwamen, werden die gebaseerd op historische rechten. De Nederlandse vloot zit van oudsher veel meer geconcentreerd in de Noordzee. De vaartuigen van onze noorderburen zijn weliswaar meer gediversifieerd, maar hebben ook een veel groter vermogen. In Nederland weegt de combinatie van oplopende brandstofprijzen en dalende visquota daardoor nog veel zwaarder door. De intensivering van de vloot heeft zich tegen hen gekeerd.

In welke mate zit de Vlaamse vloot met verouderde schepen opgezadeld?
De jongste tien jaar zijn erg weinig nieuwe schepen in de vaart gekomen. De ouderdom van de schepen is op zich niet zo’n probleem, wel het feit dat het hoofdzakelijk boomkorvaartuigen zijn. Die methode is weliswaar nog geen vijftig jaar oud en heeft de voorbije decennia heel wat centen in het laatje gebracht, maar van bij het begin heeft deze techniek ook heel wat kritiek gekregen vanwege de weinig selectieve netten en de onvermijdelijke bodemschade, al zijn er bepaalde visgronden waar dit laatste argument minder van toepassing is. Wie enkele jaren geleden in een vergadering met reders kwam aandraven met alternatieve vistechnieken zoals de staande want, werd op hoongelach onthaald. Omdat de sleepnetten van de boomkorvaartuigen veel brandstof vergen en ook de materiaalkosten van bijvoorbeeld staal hoog oplopen, komen er stilaan barsten in die conservatieve houding. Vanuit bedrijfseconomisch oogpunt moeten reders hun schepen twintig à dertig jaar laten renderen, maar op middellange termijn heeft de boomkortechniek afgedaan. Met praktijkonderzoek probeert het ILVO in eerste instantie alternatieven aan te reiken die geen immense investeringen vergen.

De visquota maken het er niet makkelijker op. In welke mate hebben die de Vlaamse visserij de voorbije jaren stokken in de wielen gestoken?
De boomkor is een vaartuig dat vooral platvis oplevert: tong en schot zijn de belangrijkste doelsoorten, op afstand gevolgd door tarbot en griet. In tegenstelling tot soorten zoals kabeljauw en wijting zijn de bestanden van tong en schol niet echt overbevist. De voorraden blijven vrij stabiel, maar duiken soms wel onder het referentieniveau van de International Council for the Exploration of the Sea. In elk geval is de totale visaanvoer in ons land fors gedaald: in vergelijking met de 35.000 ton van twintig jaar geleden is het volume zo goed als gehalveerd. Vorig jaar werd nog 18.000 ton aangevoerd in de Belgische havens, een daling van ruim zes procent in vergelijking met een jaar voordien. Het gevolg is dat er een grote kloof ontstaan is tussen het vangstpotentieel en de toegemeten dagquota. De sloopronde heeft de sector een beetje ademruimte gegeven, maar het komt er vooral op aan om alternatieve technieken te ontwikkelen. Die hebben een lagere vangstcapaciteit, maar zullen wel voor een hogere rentabiliteit zorgen.

Hoe evalueert u het Europese quotabeleid in de visserijsector?
Enkele jaren geleden bedroeg de volwassen biomassa van kabeljauw in de Noordzee nog 250.000 ton, terwijl dat volume nu geraamd wordt op 50.000 ton of zelfs minder. Dan kan je alleen maar concluderen dat het beleid gefaald heeft. De adviezen van de marinebiologen waren steeds ondubbelzinnig, en dat sinds 1964. Maar de visserijministers willen elk jaar weer het onderste uit de kan halen voor hun achterban, zeker in grote visserijlanden zoals Frankrijk en Spanje. De jongste jaren wordt gelukkig steeds meer rekening gehouden met wetenschappelijke adviezen, er komen meer herstelplannen en begin dit jaar werd een controleagentschap opgericht om de handhaving van de vangstbeperkingen beter te stroomlijnen.

Maar op korte termijn zullen de vangstquota niet opnieuw stijgen?
In België laten schattingen vermoeden dat de sportvisserij op kabeljauw even groot wordt als de commerciële visserij op die vissoort. Een eerste maatregel zou er in kunnen bestaan om die vangsten op te nemen in de dataverzameling, want de impact ervan wordt zwaar onderschat. Daarna komt het er op aan om de gemiddelde leeftijd van de vissen op te krikken. Momenteel bedraagt die voor de kabeljauw in de Noordzee minder dan vier jaar, een leeftijd waarop minder dan de helft van die vissen geslachtsrijp is. Daardoor is de visserij sterk afhankelijk van jonge jaarklassen, waardoor er ook geen buffer meer bestaat om jaren met een lage visaangroei op te vangen. Bovendien is de intensieve vangst van niet-volgroeide vissen economisch niet efficiënt. Met welke maatregelen die leeftijd omhooggetrokken moet worden, is natuurlijk een ander paar mouwen.

Tot 2013 pompt de Vlaamse regering vijftig miljoen euro in duurzame visserijtechnieken. Waarover gaat het dan precies?
Op korte termijn werken we aan een aanpassing van de boomkornetten, met als bedoeling om op een relatief goedkope manier zowel het brandstofverbruik als de milieuschade terug te dringen. In een volgende fase willen we alternatieve vismethoden introduceren op de bestaande vaartuigen, waaronder bijvoorbeeld ‘fly shooting’. Daarbij zet de visser eerst een anker uit waaraan één van de lijnen is bevestigd. Vervolgens vaart de boot een rondje waarbij tegelijkertijd het net en de andere lijn uitgezet worden. Teruggekomen bij het anker haalt het vaartuig de lijnen binnen. De platvis wordt dan door de lijnen die over de zeebodem rollen in het kuilnet gedreven. Pas in een laatste fase mikken we op alternatieve vaartuigen met alternatieve technieken, zoals het vissen met staande want of potten.

Diversificatie is een andere piste. In welke mate bieden aqua- en maricultuur een uitweg?
Wereldwijd is de aquacultuur nu al goed voor de helft van de visconsumptie, en de sector zit stevig in de lift. China is veruit de grootste producent, maar Nederland telt toch ook al tachtig boeren die begonnen zijn met viskweek. En ook in eigen land zitten een aantal projecten in de pijplijn. Op de grens van Middelkerke en Nieuwpoort komt straks allicht de grootste kwekerij van zeetong in Europa. We zijn ook met een twaalftal landbouwbedrijven in gesprek om de productie van snoekbaars op te starten. De totale consumptie van die vis bedraagt 12.500 ton in de EU. Vandaag wordt snoekbaars vooral als diepvriesproduct ingevoerd uit Kazachstan, maar ook daar zijn de stocks aan het slinken. Andere Belgische ondernemers zijn al gestart met de kweek van beekforel, tilapia, steur, karper, enzovoort.

Het nieuwe paradepaardje is de mosselkweek in open zee.
We moeten het helaas stellen met een korte kustlijn die dan nog volledig ingepalmd wordt door de toeristische sector, en we hebben ook geen baaien die beschut zijn tegen ruwe klimaatomstandigheden. Maar moeilijk gaat ook: nergens ter wereld worden mosselen gekweekt met kooien in open zee, maar wij doen het wel. Sinds 1998 hebben we veel leergeld betaald, want het klimaat op de Noordzee is niet van de poes. Vorig jaar moesten we een storm verteren die de golven zeven meter hoog opzwiepte. Toch zijn intussen meer dan vijftig kooien aangebracht, tegen het eind van het jaar zullen dat er 103 zijn. De huidige kweekzone bedraagt slechts een kwart van een vierkante kilometer, maar we kijken met belangstelling uit naar de komst van het windmolenpark op de Thorntonbank. Dat project creëert een potentiële kweekzone van tweehonderd vierkante kilometer. Het is effectief de bedoeling om op termijn een deel van de bestaande visserijvloot te laten omschakelen naar de mosselkweek. De Stichting voor Duurzame Visserijontwikkeling (SVDO) heeft al aardig wat machines aangekocht die ter beschikking zouden gesteld worden van een nog op te richten mosselcoöperatieve die kan aangestuurd worden door reders. Volgend jaar gaan we in elk geval al zevenhonderd ton mosselen oogsten, en we gaan ook bestuderen of het rendabel is om bijvoorbeeld oesters te produceren met die kooien. En misschien kunnen we wel zeewier kweken met de nutriënten die de mosselen voortbrengen. Nu al weten we op basis van ons onderzoek dat onze kooimosselen kwalitatief beter zijn dan de Nederlandse exemplaren, en dus wordt er ook gedacht aan de commercialisering via een speciaal label, net zoals de Purus-garnaal.

Is de klimaatverandering een kans of een bedreiging voor de visserij?
Beide. Sommige vissoorten komen, andere gaan. Dit jaar hebben we een project opgestart om de gevolgen van het wijzigende klimaat in kaart te brengen. We gaan ervan uit dat visbestanden migreren, maar dat ook fysieke factoren veranderen als gevolg van stormen.

Hoe is het gesteld met de voedselveiligheid van de doorsnee vis die vandaag op ons bord belandt?
In de jaren zeventig en tachtig was er een sterke toename van de contaminatie als gevolg van industriële ontwikkelingen waarvan de impact aanvankelijk niet bestudeerd werd. Nu lijkt de situatie weer onder controle. De PCB-gehaltes nemen af of stagneren, de metaalconcentraties zijn sterk gedaald. Maar ik moet ook toegeven dat er een reeks stoffen zijn die niet gemeten worden en waarover we dus ook geen informatie hebben. Ik denk bijvoorbeeld aan organische metaalverbindingen. Het ILVO streeft er al langer naar om ook die substanties te monitoren.

Slotvraag: hoe rooskleurig oogt de toekomst van de Vlaamse visserij?
Ik ben zeker niet pessimistisch, maar alles zal afhangen van de dynamiek in de sector. Nederland is zijn technisch visserijonderzoek aan het afbouwen, en hetzelfde geldt voor Frankrijk en Engeland. Alleen Vlaanderen heeft de voorbije jaren zijn onderzoek geïntensiveerd…

Gerelateerde artikels

Er zijn :newsItemCount nieuwe artikels sinds jouw laatste bezoek