duiding

Joris Relaes - kabinetschef

duiding
"Stijging investeringsdossiers moeilijk vol te houden"
2 januari 2009  – Laatst bijgewerkt om 4 april 2020 15:52
Lees meer over:
De landbouwers hebben Yves Leterme zo goed als zeker weggestemd als landbouwminister uit de Vlaamse regering. "De minister-president heeft uitermate goed gescoord in de landelijke gebieden. Dat is voor ons het bewijs dat het landbouwbeleid van deze legislatuur op het terrein gesmaakt wordt", zegt kabinetschef Joris Relaes (44). Maar dreigt zonder kopman Leterme de schwung niet uit het beleidsteam te verdwijnen?

Kan u zich bijvoorbeeld Kris Peeters voorstellen als uw nieuwe baas?
Joris Relaes: Ik zal allicht nooit meer het voorrecht meemaken om samen te werken met iemand zoals Yves Leterme. Hij leeft tweehonderd procent voor zijn job, en was doodgraag landbouwminister. Voor hem was dat mandaat eigenlijk geen job, eerder een hobby. Wie zijn mogelijke opvolger wordt, is ook voor ons nog onduidelijk, maar het is juist dat er niet zoveel voor de hand liggende alternatieven zijn. Kris Peeters heeft de voorbije jaren alvast bewezen dat hij veel aandacht heeft voor de economische ontwikkeling van de land- en tuinbouw. Wie individuele land- en tuinbouwbedrijven geen groeiperspectieven biedt, smoort ook investeringen in milieu en dierenwelzijn in de kiem. Het mestdecreet bewijst dat Kris Peeters dit mechanisme goed begrepen heeft.

De belangrijkste verwezenlijking van Leterme is misschien wel dat hij de boeren en tuinders weer beroepstrots heeft bijgebracht. Een andere minister kan die rol onmogelijk overnemen.
Van bij de start van deze legislatuur was het expliciet de bedoeling om werk te maken van het maatschappelijk draagvlak voor de agrarische sector. Dat is wonderwel gelukt, waardoor fundamenten gelegd zijn waarop een volgende landbouwminister kan verder bouwen. Vóór het aantreden van Yves Leterme had onderzoek van VILT uitgewezen dat het imago van de landbouwsector reeds aan de beterhand was. De minister-president was de juiste man op de juiste plaats om die positieve kentering een enorme versnelling te geven. Dat is zijn persoonlijke verdienste, en hij heeft beloofd dat hij daar als politicus ook in de toekomst blijft over waken, op gelijk welke positie waar hij ook zal terechtkomen. Ook binnen CD&V zelf merk je trouwens dat de waardering voor de land- en tuinbouw de jongste jaren weer sterk toegenomen is.

Drie jaar geleden heeft CD&V de landbouw- en milieuportefeuille overgenomen van Groen! In het mestdossier hebben jullie geruisloos strengere normen ingevoerd dan de maatregelen die Vera Dua onmogelijk doorgedrukt kreeg. Hoe verklaart u dat?
Als je het vertrouwen van een sector geniet, kan je heel ver gaan. Dan is het eigenlijk alleen nog een kwestie van samen naar oplossingen zoeken. De vorige regering gunde de glastuinbouw geen vestigingsruimte, en wilde tegelijkertijd een reeks milieumaatregelen doorvoeren. Op die manier is er natuurlijk weinig animo bij de telers. Wij vinden diezelfde milieumaatregelen belangrijk, maar passen ze in een constructief ontwikkelingskader voor de sector. De invalshoek is totaal verschillend.

Wat vind je zelf de sterke en zwakke punten van het mestdecreet?
Laten we mekaar niks wijsmaken: voor de sector is dat nog altijd geen prettig dossier, en dat zal nog wel een aantal jaren zo blijven. Maar het is belangrijk dat minister Peeters er door zijn persoonlijke inbreng in geslaagd is om een emotioneel dossier een technisch karakter te geven. Daardoor kunnen bedrijven straks weer groeien na mestverwerking en via de verhandelbaarheid van nutriëntenemissierechten. De voorbije jaren dreigde de varkenssector structureel achterop te raken door de enge toepassing van de nutriëntenhalte, met als gevolg dat bijvoorbeeld ook de noodzakelijke milieu-investeringen achterwege bleven: een eenzijdig beleid is dubbel nefast. Minpunt van het mestdecreet is de administratieve dobber die ermee gepaard gaat, spijts alle positieve intenties vooraf om dat tot een absoluut minimum te beperken. Een stuk administratie blijft nu eenmaal onvermijdelijk als we aan de buitenwereld en Europa willen aantonen dat we op de goede weg zijn.

Onlangs uitte het VAC zware kritiek op het beleid van Leterme omdat er onduidelijkheid bestaat over een aantal grote dossiers, met name de derogatie, het programma voor plattelandsontwikkeling en de afbakening van de agrarische structuur.
Ik begrijp die kritiek eerlijk gezegd niet goed. Over de toegekende derogatie moet het Europese nitraatcomité zich de komende weken uitspreken. Kort na het zomerreces hopen we vanuit Europa ook het fiat te krijgen voor ons plattelandsprogramma. Momenteel zijn er nog gesprekken aan de gang tussen de administraties om hier en daar wat komma’s te verplaatsen in de tekst die op Vlaams niveau al een hele tijd goedgekeurd is. Vergeet niet dat het gaat om een programma dat zich uitstrekt over zeven jaar en waar heel wat geld mee gemoeid is. Wat mij betreft, is het logisch dat Europa niet lichtzinnig omspringt met de behandeling van dergelijke dossiers. Even geduld dus.

In het dossier van de agrarische afbakening lijkt dat geduld stilaan op. Vooral de natuursector krijgt het lelijk op de heupen van de aanslepende overlegprocedures.
Ook de landbouwsector is vragende partij voor meer bedrijfszekerheid op korte termijn. Maar we moeten vaststellen dat iedereen zich wat op dit dossier verkeken heeft. Nogal wat burgemeesters hebben tien jaar geleden met veel enthousiasme op het groene knopje gedrukt bij de goedkeuring van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Maar in hun eigen gemeente merken ze nu hoe moeilijk het is om een pak gronden van bestemming te doen veranderen. Drie jaar geleden kozen we voor een tweesporenbeleid waardoor we agrarisch gebied versneld konden herbevestigen zonder te verzanden in ruimtelijke uitvoeringsplannen. Op het terrein was men echter vragende partij voor meer inspraak, waardoor de procedures bijgestuurd werden. Persoonlijk heb ik er eigenlijk geen problemen mee dat de nodige tijd uitgetrokken wordt voor openbare onderzoeken. Ruimtelijke ordening is immers een beleidsdomein dat mensen emotioneel heel diep raakt.

De land- en tuinbouw geniet momenteel van een positieve conjunctuur, wat een heel pak investeringen met zich meebrengt. Maar zijn die eigenlijk nog wel betaalbaar?
Het aantal investeringsdossiers dat bij het VLIF werd ingediend, bereikte vorig jaar een recordhoogte van 5.237 dossiers, een stijging van veertig procent in vergelijking met het einde van de vorige legislatuur. Door de kansen die het mestdecreet biedt, kunnen bedrijven hun investeringsachterstand inhalen. Zo werden de voorbije jaren heel wat ammoniakemissiearme varkensstallen gebouwd. Eigenlijk is het Landbouwinvesteringsfonds geëvolueerd naar een agrarisch milieu- en energiefonds. Keerzijde van het succes is dat minister Leterme de voorbije jaren bij iedere begrotingsopmaak en -controle aan zijn collega’s in de Vlaamse regering extra middelen heeft moeten vragen voor het VLIF. Voor volgend jaar rekenen we opnieuw op een aantal miljoenen euro’s extra. Een ander probleem is dat de administratie de toestroom van nieuwe dossiers niet meer kan bijbenen. We zoeken uit hoe we deze dienst kunnen versterken, maar het is duidelijk dat de investeringsgroei van de voorbije jaren beleidsmatig niet eindeloos bij te benen blijft.

Ondanks de aantrekkende landbouweconomie noemen jullie de oprichting van Boeren op een Kruispunt één van de belangrijkste realisaties tot dusver. Waarom?
Ook in het verleden hadden sommige landbouwers het moeilijk om de eindjes aan elkaar te knopen. De overheidsmaatregelen voor deze mensen schoten echter meestal hun doel voorbij. Met ons project zorgen we voor het eerst voor een individuele begeleiding van landbouwbedrijven die op een ‘kruispunt’ staan in hun bestaan. Dat is van essentieel belang, want de typische boerderij van vroeger met zijn typische knelpunten bestaat al lang niet meer. Vandaag heeft elk bedrijf een ander profiel en kunnen er 101 redenen aan de basis liggen van problemen. Die kan je dus alleen maar oplossen met maatwerk. Momenteel heeft Boeren op een Kruispunt al vier mensen aangeworven en in het najaar volgt een eerste evaluatie. We rekenen er ook op dat de vereniging ons in de toekomst feedback zal aanreiken met het oog op beleidsmaatregelen die problemen helpen voorkomen.

De glastuinbouw is al jaren op zoek naar ruimte voor nieuwe serres. Er lijkt eindelijk schot in de zaak te komen?
Het klopt dat we volop bezig zijn om specifieke glastuinbouwzones van de grond te krijgen. In Oudenburg en Beveren liggen vergevorderde plannen op tafel. Op de beoogde sites is het de bedoeling dat de serrebedrijven industriële restwarmte van koelwater via een pijplijn zullen hergebruiken om hun kassen te verwarmen. Ook industrieel geproduceerde CO2 moet op die manier zijn weg vinden naar serrebedrijven waar het als plantenbemesting wordt gebruikt. De lokale besturen zijn enthousiast vanwege de potentiële energie- en waterbesparing van een dergelijk project. Lange tijd hebben ambtenaren van ruimtelijke ordening zich afgevraagd of er wel tuinders bereid waren om zich te vestigen in een glastuinbouwzone, terwijl geïnteresseerde tuinders juist zaten te wachten op een initiatief van de overheid. Met de projecten in Oudenburg en Beveren hopen we dit verhaal van de kip en het ei definitief te doorbreken. In Nederland bevinden zich al een aantal mooie voorbeelden van dergelijke glastuinbouwzones. Een bijkomend voordeel is dat ze landschapsvriendelijk kunnen ingeplant worden, ook al worden de serres van de toekomst drie à vier hectare groot. Het ILVO heeft voor gemeentebesturen trouwens een instrument ontwikkeld dat hen helpt om glastuinbouwzones een zo duurzaam mogelijke vestigingsplaats te bezorgen. Daarnaast leggen we ook de laatste hand aan een informatiebrochure voor zowel gemeenten als glastuinders. En er komt een taskforce van telers die ons moeten helpen bij de realisatie van al deze plannen.

Met de zuivelsector zitten jullie al bijna een jaar rond de tafel om een tijdsplan voor de uitfasering van de melkquota tegen 2015 op te stellen. Wat is de stand van zaken?
Ik heb altijd voorspeld dat uiteindelijk de sector zelf door de toenemende liberalisering vragende partij zou worden om meer flexibiliteit in te bouwen in de melkquotaregeling. Het is dus niet verwonderlijk dat het overleg constructief verlopen is. In september of oktober zullen we de maatregelen voor de komende jaren bekendmaken, zodat elke melkveehouder zijn bedrijf zonder horten en stoten kan voorbereiden op de toekomst. De rode draad is uiteraard dat melkveehouders steeds meer vrijheid zullen krijgen om melk te produceren.

De kranten staan tegenwoordig vol van artikels over stijgende voedselprijzen, onder meer door de opmars van de bio-energie. Bent u daar bezorgd over?
De landbouw staat aan de vooravond van een revolutie. Gedurende vele decennia was landbouw enkel een producent van ‘food’ en ‘feed’, terwijl nu ook ‘fuel’ en ‘fiber’ opnieuw in beeld komen. Dat productiepotentieel heeft enorme implicaties. Zo begint de varkenssector stilaan te kreunen onder stijgende voederprijzen. We moeten kijken hoe we met het landbouwbeleid op die trend inspelen, maar pasklare oplossingen zijn er vooralsnog niet. Feit is dat heel de landbouwwereld zich hierover grondig moet bezinnen.

De minst ontwikkelde landen die netto-importeur zijn van voedsel hebben hun uitgaven sinds 2000 zien stijgen met negentig procent. Dat is dramatisch.
Dat is een reden te meer om de plattelandsvlucht in die landen in vraag te stellen. De voorbije decennia zijn een pak uitpuilende wereldsteden ontstaan die vooral gevoed worden door goedkoop importvoedsel. Dat de prijs hiervan stijgt, is alvast een opsteker voor de lokale boeren in die ontwikkelingslanden, want die worden op hun thuismarkt weer een stukje competitiever. Maar het is dus duidelijk dat een ruim maatschappelijk debat en veel meer onderzoek over dit thema noodzakelijk zijn.

Een actueel dossier is de financiering van het Voedselagentschap. De voedselketen is vragende partij om in de toekomst maar twintig procent meer te betalen van de werkingskosten. Nu is dat grosso modo nog de helft.
De CD&V is van oordeel dat de overheid voor een aantal taken van het Voedselagentschap meer financiële verantwoordelijkheid moet opnemen. Dit onderwerp zal zeker op tafel liggen bij de discussie over een federaal regeerakkoord.

Is een eventuele roomsblauwe coalitie een goede zaak voor het dierenwelzijn?
De maatschappelijke aandacht voor het dierenwelzijn zal de komende jaren verder toenemen, welke politieke formatie er ook komt. In het verleden heeft de landbouwsector goed rekening gehouden met dit gevoelige thema, en de komende jaren zal dat nog nadrukkelijker moeten gebeuren. Momenteel heb ik het gevoel dat de aandacht voor het dierenwelzijn afgestemd wordt op de campagnes van dierenwelzijnsorganisaties. Het zou veel beter zijn indien er een continue opvolging komt van alle wettelijke dierenwelzijneisen. Een consistent controlebeleid en een goede begeleiding van veehouders bij de implementatie van nieuwe Europese regelgeving zijn volgens mij veel efficiënter dan een nieuwe reeks filosofische debatten.

In de aanloop naar de verkiezingen kreeg de CD&V een nul op tien van de dierenwelzijnsorganisaties in ons land.
Ik steek niet onder stoelen of banken dat we ons hieraan gestoord hebben. De voorbije jaren zijn een pak middelen uit het VLIF naar investeringen voor meer dierenwelzijn gevloeid. We hebben ook landbouwambtenaren op pad gestuurd om over dit thema voorlichtingsvergaderingen te geven, hoewel het om een federale bevoegdheid gaat. Dat ze ons dus niet komen vertellen dat we voor het dierenwelzijn niets gedaan hebben.

Het ILVO trekt aan de alarmbel omdat er voor maatschappelijk georiënteerd onderzoek onvoldoende geld voorhanden is. Is de zoektocht naar alternatieven voor de biggencastratie dan geen prioriteit?
De uitlatingen van het ILVO hebben te maken met een ingediend IWT-project dat ondanks een positieve score bij gebrek aan middelen niet weerhouden werd. Met minister Moerman gaan we bekijken of de onderzoeksmiddelen voor de landbouwsector niet wat kunnen verruimd worden. Een ander knelpunt is het feit dat voor alle IWT-projecten een cofinanciering van 7,5 procent door de sector vereist is. Omdat ze er geen rechtstreekse belangen bij hebben, is het logisch dat de landbouwers niet altijd staan te springen om beleidsrelevant onderzoek te sponsoren. Daarom bestuderen we de mogelijkheid om voor dergelijke onderzoeksprojecten de cofinanciering te regelen met middelen uit de landbouwbegroting. Voor alle duidelijkheid: het onderzoek naar alternatieven voor de biggencastratie reken ik niet tot deze categorie. Als je kijkt naar de recente ontwikkelingen in Nederland, dan is het duidelijk dat de varkenssector er alle belang bij heeft om hierin zelf substantieel te investeren. Het is trouwens ook niet zo dat het ILVO-onderzoek rond biggencastratie plots tot stilstand gekomen is door het niet binnenrijven van dat ene IWT-project.

Volgens Camiel Adriaens is de job van federaal landbouwminister overbodig.
De vertegenwoordiging van ons land op de Europese ministerraden is natuurlijk een minimale bevoegdheid. Anderzijds heeft de formule de voorbije jaren bewezen dat ze werkt, en voel ik dus weinig nood aan verandering. Met Sabine Laruelle, die zeer goed de landbouwsector kent, was de verstandhouding uitstekend. Dat bewijst eens te meer dat een constructieve houding van mensen veel belangrijker is dan de structuren waarin ze opereren. Bovendien kan het zeker geen kwaad dat een aantal federale bevoegdheden zoals fiscaliteit en tewerkstelling door een boervriendelijke bril bekeken worden.

 

Gerelateerde artikels

Er zijn :newsItemCount nieuwe artikels sinds jouw laatste bezoek