Dirk Barrez - journalist
duidingIn uw boek verwijst u permanent naar de lage marktprijzen die de boeren wereldwijd in een wurggreep houden. Tijdens het schrijven van de laatste hoofdstukken heeft u allicht gevloekt toen de prijzen voor graan en zuivel plots de hoogte inschoten?
Dirk Barrez: Vorige maand hoorde ik een melkveehouder vertellen dat de melkprijs zich bijna opnieuw op het niveau van 1983 bevindt. Maar hoeveel duurder zijn de tractoren intussen geworden? En het veevoeder? In tegenstelling tot de marktprijzen zijn de kosten om te boeren niet gedaald. De graanprijzen zijn de jongste tijd wel gestegen, maar in de tweede helft van de vorige eeuw zijn ze met tachtig procent of zelfs nog meer naar beneden getuimeld. De vraag is bovendien in welke mate de huidige prijsstijgingen een structureel karakter hebben. In bijvoorbeeld de melkveesector dreigen de prijzen de komende jaren sterk te fluctueren.
De opmars van biobrandstoffen kan ervoor zorgen dat de graanprijzen de komende jaren relatief hoog zullen blijven. En graan is wereldwijd het belangrijkste landbouwproduct…
Dat klopt. Veel boeren zullen tevreden zijn met de hogere prijzen, en ze verdienen die ook. Maar ze mogen niet te vroeg juichen. De jacht op winstgevende grond voor de teelt van energiegewassen dreigt de kleine, familiale boeren uit de grondmarkt te verdrijven. En ook voor de landlozen is er in de gemechaniseerde en grootschalige akkerbouw maar weinig werk als loonarbeider. Mag ik eraan herinneren dat de 1,35 miljard landbouwers het moeten stellen met in totaal 28 miljoen tractoren? Ruim een miljard boeren moeten zich zelfs beredderen zonder trekdier. Zij werken met een hak, sikkel, spade of machete. Het is weinig waarschijnlijk dat zij veel te winnen hebben bij het toenemende belang van bio-energie.
Landbouweconomen voorspelden de voorbije jaren dat een vrijmaking van de landbouwmarkten de prijzen op de wereldmarkt zou doen stijgen. Daar zien we nu de eerste tekenen van, beweren ze.
Daar geloof ik niet in. De prijsstijgingen zijn het gevolg van misoogsten, een toenemende vraag in Azië en de opkomst van de biobrandstoffenindustrie. Een Amerikaanse studie heeft de effecten van de vrije markt goed geïllustreerd door een vergelijking te maken tussen de prijzen voor boeren en consumenten in zowel 1970 als in 2000. Blijkt dat de producentenprijs in die tijdsspanne met twintig procent daalde, terwijl de consumenten in de supermarkten 35 procent meer betaalden. Op basis van die cijfers kan ik me voorstellen dat landbouwers in de VS zich afvragen waar de volledig vrije markt zonder enige regulering of voorraadbeheer eigenlijk goed voor is. De koffieprijs is een ander interessant voorbeeld. Tot 1990 was die markt gereguleerd dankzij het internationaal Koffieakkoord. Tien jaar nadat deze regeling opgeblazen werd, verdienden de koffieboeren nog de helft terwijl de consument dubbel zoveel betaalde.
Welke conclusie trek je daaruit?
Iedere econoom hoort te weten dat landbouw iets anders is dan een autofabriek. Boeren kunnen vraag en aanbod niet in een handomdraai op elkaar afstemmen. Bij Ford Genk kunnen ze een extra nachtploeg optrommelen indien de productie plots moet verhoogd worden, maar een boer kan zijn koeien toch geen derde shift laten melken? Komt daar nog de onvoorspelbaarheid van de natuur en de geringe prijselasticiteit van voedingsproducten bij. Het is niet omdat aardappelen goedkoop zijn dat we er plotseling veel meer gaan eten. Het gevolg is dat prijzen grote bokkensprongen vertonen.
U gelooft er niet in dat meer vrijhandel ten goede komt van de boeren?
88 procent van al het graan in de wereld wordt lokaal verhandeld, maar toch valt op de wereldmarkt de beslissing over de prijs van dat graan. Hoe kan je al die boeren zonder tractor wijsmaken dat ze op die overschottenmarkt beter moeten leren concurreren? Ze treden er in het strijdperk tegen de boeren uit Argentinië en Oekraïne die over de meeste en beste gronden beschikken, over machines, de beste zaden, over mest, over krediet, zelfs over subsidies en marktbescherming. Dat is alsof je een voetbalwedstrijd organiseert tussen AC Milan en een duiveltjesploeg in je eigen gemeente.
Mogen we Dirk Barrez catalogeren als andersglobalist?
Ik ben perfect gelukkig met mijn Japanse auto. Laat de wereldmarkt maar volop spelen voor auto’s, computers en telefonie. Maar wie pleit voor economische globalisering, mag de ecologische en sociale componenten niet uit het oog verliezen. Zonder een bodem voor bijvoorbeeld dierenwelzijn of voedselveiligheid kan je geen vrijhandel organiseren voor landbouw. Waarom zweren we trouwens bij de wereldmarkt als de meeste landbouwproducten lokaal verhandeld en geconsumeerd worden? De wereldmarkt is niet uitgevonden om boeren betere prijzen te bezorgen, hé. Die dient om de beste kwaliteit aan de laagste prijs uit de markt te puren. Kwaliteit moet er natuurlijk zijn, maar je moet erover waken dat er ook een leefbare prijs tegenover staat.
Economen hebben toch geen ongelijk wanneer ze beweren dat volledig afgeschermde markten inefficiënt werken?
In arme landen is tot tachtig procent van de bevolking actief in de landbouw. Natuurlijk kan je geen samenleving met hogere levensstandaard ontwikkelen indien dat percentage zo hoog blijft. Maar in plaats van te opteren voor de wereldmarkt, zou je boeren in de eerste plaats kunnen laten concurreren op regionale markten, ter grootte van bijvoorbeeld de Europese Unie, West-Afrika of Zuid-Azië. Dit kan leiden tot de totstandkoming van gezonde familiale landbouwbedrijven die voldoende koopkracht genereren om zuurstof te pompen in andere economische takken. Economen vinden dat misschien niet superefficiënt, maar hoe komt het dat alle rijke landen hun eigen landbouwers steeds zo sterk afgeschermd hebben van de vrije markt? En dat het desondanks toch rijke landen zijn? Waarom heeft Bush als pleitbezorger voor meer vrijhandel tijdens zijn bewind de steun aan de Amerikaanse boeren bijna verdubbeld?
Geen industriële revolutie zonder landbouwrevolutie?
Toen Groot-Britannië zich als eerste land industrialiseerde, profiteerde het volop van een zeer efficiënte landbouw. Cruciaal voor alle welvaartsstaten van de twintigste eeuw was dat hun landbouwproductie sneller groeide dan de bevolking. Dat is niet anders voor nieuwe industrielanden zoals Taiwan, China en Zuid-Korea. Ook dit zijn landen die eerst hun landbouwrevolutie kenden én die hun landbouw blijven respecteren. Om het verhaal volledig te maken: alle rijke landen steunden niet alleen op de landbouw voor hun industrialisering. Zeker in de beginfase maakten ze handig gebruik van afgeschermde thuismarkten om er hun producten te verkopen. De Zuid-Koreanen specialiseerden zich in scheepsbouw en de Chinezen in textiel. Pas toen ze hun economieën reeds zeer sterk ontwikkeld hadden, hebben ze zich op het pad van de wereldmarkt begeven om nog sterker te worden. Wie dit schema voor ogen houdt, moet concluderen dat de landbouw niet thuishoort onder de vlag van de Wereldhandelsorganisatie. Die hanteert overigens een dubbele moraal: de steun aan de landbouw moet dalen, maar op het vlak van intellectuele eigendomsrechten is de WTO helemaal geen voorstander van deregulering. Daardoor moeten arme boeren vrezen dat hun zaden straks geen publieke goederen meer zijn. Er wordt met twee maten en twee gewichten gewerkt.
Hoe taxeer je de jongste hervormingen van het Europees landbouwbeleid? De derdewereldbeweging heeft jarenlang het protectionisme bekampt. Pas nu tolmuren dalen en interventieprijzen sneuvelen, worden de voordelen ervan erkend.
Sommige ngo’s hebben het nog altijd niet begrepen, vooral in de Angelsaksische wereld. Wie vandaag nog praat over voedseloverschotten en exportsubsidies als grootste probleem, loopt hopeloos achterop. Ik stel vast dat het Europees landbouwbeleid sneller evolueert dan een deel van de derdewereldbeweging. Dumpingpraktijken zijn natuurlijk uit den boze, maar je merkt toch dat landbouworganisaties zoals Boerenbond al jaren stevige contacten onderhouden met collega’s in het Zuiden. Tijdens de WTO-conferentie in Hongkong heb ik persconferenties bijgewoond van boeren over de hele wereld die bijna allemaal hetzelfde vertellen, namelijk dat ieder land het recht moet hebben om in functie van zijn voedselsoevereiniteit de eigen markt af te schermen. De ngo’s en de politici zouden wat beter moeten luisteren naar al die boerenorganisaties. Of willen we onze voedselproductie delokaliseren op een ogenblik dat de planeet al tegen de grenzen van zijn ecologische draagkracht botst? De landbouwers zorgen trouwens voor meer dan alleen maar voeding. We bewonderen graag cultuurlandschappen zoals in Toscane, maar hoe gaan we die onderhouden indien we de boerenstiel offeren op het altaar van de vrijhandel?
De Wereldbank schreeuwt na twintig jaar verwaarlozing plots om meer aandacht voor landbouw. Wat is die oproep waard?
De Wereldbank praat ook weer over goed bestuur, terwijl de instelling zich heel lang verzet heeft tegen elke vorm van overheidsingrijpen. Ik vind het hypocriet dat ze naar Taiwan en Zuid-Korea verwijst als landen die zich zouden opgewerkt hebben volgens het neoliberale model. Maar ook voor de Wereldbank en IMF draait de wereld snel. Arme landen zijn steeds minder afhankelijk van hen. Ze kunnen nu makkelijk geld lenen bij een land als China, of zelfs Venezuela.
Een sterke agro-industrie kan boeren in ontwikkelingslanden een flinke duw in de rug geven. Maar in uw boek bent u niet mals voor de toeleveranciers en afnemers?
Ik heb geen problemen met Pinguin en nog minder met goed functionerende boerencoöperaties zoals Milcobel. Maar je krijgt een fundamenteel ander verhaal wanneer het gaat over multinationals waarvan boeren buiten hun wil om zeer sterk afhankelijk geworden zijn. Enkele jaren geleden speelde Unilever met zijn boekhouding open kaart in verband met zijn activiteiten in Indonesië. De conclusie luidde dat in de hele productieketen de boeren veruit het minst verdienen. En zelfs al zou Unilever zijn toeleverende boeren meer betalen dan de marktprijs, zouden ze dan genoeg verdienen? Dan nog spreken we niet over gegarandeerde minimumprijzen die een leefbaar inkomen opleveren. De mondiale graanhandel wordt voor tachtig procent gedomineerd door godbetert drie bedrijven. Almaar minder mensen en bedrijven controleren almaar meer productie, of beter, de commercialisering van die producten. Met plezier strijken ze de winsten op die ze daarmee kunnen maken. Uit een onderzoek van zestig jaar geleden in Californië bleek al dat in streken met veel familiale landbouwbedrijven meer lokale handelszaken, meer aangelegde straten en trottoirs, meer scholen, parken, kerken, clubs, kranten en een hogere werkgelegenheid voorkomen. De agro-industrie creëert daarentegen sociale woestijnen. Wie de studies daarover niet gelooft, moet maar eens gaan kijken in Honduras, Brazilië of in zoveel andere landen. Op sojaplantages is geen plaats meer voor mensen, in de Amerikaanse Midwest krijg je door de grootschalige landbouw hetzelfde fenomeen van ontvolking, enzovoort.
Nog veel machtiger dan de agro-industrie is de grootdistributie. Ook de Vlaamse boer moet met lede ogen vaststellen hoe hij steeds afhankelijker wordt van een handvol supermarktketens.
Honderd jaar geleden hebben de Amerikanen de machtige Standard Oil Company opgesplitst in verschillende entiteiten om de marktwerking te redden. Het is vreemd dat we vandaag zo’n scenario voor de supermarktconcerns ondenkbaar achten. Als zo’n operatie vroeger verstandig geacht werd, is het allicht toch de moeite waard om zo’n maatregel vandaag opnieuw te overwegen?
Zolang de mededingingsautoriteiten niet ingrijpen, moeten de boeren bij de pakken blijven zitten?
Dat hoor je me zeker niet zeggen. In Zwitserland is nog een coöperatieve distributeur actief die er in slaagt om van de fair trade-banaan de meest verkochte soort te maken in het hele land. Rond de Franse stad Rennes hebben twintig landbouwbedrijven de handen in elkaar geslagen om een complementair aanbod hoeveproducten te verkopen in twee hoevewinkels nabij de stadskern. Op jaarbasis realiseren ze een omzet van ruim een miljoen euro. Boeiend aan dergelijke concepten is dat landbouwers ze op eigen maat in elkaar kunnen knutselen. Zeker rond de vele middelgrote en grote steden in Europa zouden boeren het voorbeeld van Rennes kunnen volgen. Alleen gebeurt dat niet of nauwelijks. Misschien, zoals een boerin daar opmerkt, omdat goede landbouwers niet meteen ook goede verkopers zijn?
Wat moeten de Vlaamse landbouwers in de eerste plaats onthouden uit uw boek?
(stilte) Ik hoop vooral dat ze het kritisch lezen. Het slechte imago van de landbouw was op een bepaald moment niet helemaal onterecht, maar boeren spelen ontegensprekelijk een belangrijke rol in onze samenleving. Het is goed dat ze randvoorwaarden opgelegd krijgen, maar in ruil moeten we hen dan wel een ordentelijk inkomen garanderen. Daarbij moeten we niet spreken over ‘subsidies’. Van onze leerkrachten zeggen we toch ook niet dat we hen ‘subsidiëren’? Het is algemeen aanvaard dat zij een loon krijgen. Wel, voor de landbouw moet hetzelfde gelden, ook al heb ik er begrip voor dat landbouwers als ondernemers een zo groot mogelijk deel van hun inkomen uit de markt willen halen. Zolang ze er zich maar niet blind op staren…