Chris Moris - Fevia
duidingWaar gaat u winkelen?
Chris Moris: Op zondag koop ik de broodjes. En soms trek ik wel eens met het boodschappenlijstje van mijn echtgenote naar de supermarkt.
Bent u een prijsbewuste consument?
Zeker en vast. Wie drie opgroeiende kinderen heeft die aan de universiteit studeren, moet sowieso oog hebben voor zijn budget. Een dalende of stijgende koopkracht als gevolg van fluctuerende voedselprijzen wijzigt niks aan dat principe.
Over die voedselprijzen is de voorbije weken veel gezegd en geschreven. Wat heeft u uit het debat onthouden?
Eerlijk gezegd ben ik verrast door de emoties die zijn komen bovendrijven. Blijkbaar voelt men zich in Vlaanderen geroepen om op zoek te gaan naar een schuldige voor een internationaal probleem dat we geïmporteerd hebben. Sommigen moeten blijkbaar nog wennen aan de hogere wereldmarktprijzen, een fenomeen dat trouwens nog wel eens dertig jaar zou kunnen aanhouden. Net zoals bij de oliecrisis in de jaren zeventig worden we met z’n allen een klein beetje armer als gevolg van de stijgende grondstoffenprijzen. In plaats van naar een zondebok te zoeken, kunnen we ons beter de vraag stellen hoe we met die nieuwe situatie best omspringen. De landbouworganisaties hebben blijkbaar schrik dat de bevolking hen in dit dossier de zwartepiet zal toeschuiven, maar die vrees is onterecht: iedereen weet dat het landbouwinkomen onder druk staat en dat de boeren dus niet profiteren van deze conjunctuur.
Carrefour heeft een tijdje geleden al aangekondigd dat we van de prijsstijgingen alleen nog maar het topje van de ijsberg gezien hebben.
In grote delen van de wereld zitten de welvaart en bevolkingsgroei stevig in de lift. De voedselproductie kan deze trends nauwelijks bijbenen, met lage stocks tot gevolg. Bij het minste voorval ontstaan angstreacties en speculatie, wat leidt tot forse prijsschommelingen. De stabiliteit die we in het verleden kenden, zie ik de komende decennia niet terugkeren. In 2007 zijn de voedselprijzen in de winkelrekken gemiddeld met meer dan vier procent gestegen, terwijl dat percentage de twintig voorgaande jaren telkens onder de inflatiecijfers bleef. Voor voedingsbedrijven zijn hoge prijzen nog relatief eenvoudig om te verteren, maar de fluctuaties zijn daarentegen moeilijker beheersbaar. Onze fabrikanten zullen moeten leren om zich voor de aankoop van landbouwgrondstoffen in te dekken via bijvoorbeeld termijncontracten. Ik weet dat veel bedrijven er effectief over nadenken, maar of elke firma hiervoor de nodige expertise in huis heeft, is nog maar de vraag.
Eén op drie fabrikanten geeft toe dat de prijsstijgingen van voeding te hoog zijn in verhouding tot de stijging van de grondstofprijzen, zo blijkt uit een onderzoek van de Vlerick Leuven Gent Management School.
Wie door alle grote verklaringen over de voedselprijzen heen kijkt, komt tot een heel andere conclusie. De winkelprijzen zijn dit jaar met 4,4 procent gestegen. Daar staat tegenover dat de landbouwgrondstoffen gemiddeld 34 procent duurder geworden zijn, terwijl die grondstoffen volgens berekeningen van de Nationale Bank gemiddeld 19 procent van de totale productiekost van een voedingsproduct vertegenwoordigen. Een eenvoudig rekensommetje leert dan dat de voedselprijzen logischerwijze met 6,5 procent moesten gestegen zijn. De duurdere grondstoffenprijzen zijn dus niet eens volledig doorgerekend aan de consument, waardoor extra druk is ontstaan op de winstmarges in de voedingsindustrie.
Boerenbond heeft berekend dat de producenten- en consumentenprijzen voor bijvoorbeeld aardappelen en vlees helemaal niet gelijklopend zijn.
De prijsmechanismen zijn veel complexer dan de relatie tussen producenten- en consumentenprijzen op onze binnenlandse markt. De vleeshandel is een mondiale business, waarbij heel wat factoren de prijs beïnvloeden.
In de frituur betaalt u nog altijd evenveel voor een pakje friet, terwijl de aardappelprijs dit jaar sterk gedaald is.
Het is voor die mensen dan ook niet evident om iedere prijsverandering op de voet te volgen. Frituuruitbaters zijn niet geneigd hun prijs te laten dalen indien ze vermoeden dat ze binnen de kortste keren aan hun klanten zullen moeten uitleggen waarom de tarieven opnieuw stijgen. Verder wil ik er ook op wijzen dat de prijsvorming in een vrijemarkteconomie niet gebeurt in functie van de productiekost, maar wel op basis van vraag en aanbod. We zijn geen federatie van filantropische bedrijven, hé. Anderzijds begrijp ik natuurlijk wel dat alle schakels in de keten een eerlijke prijs willen ontvangen. Om dit te regelen, sluiten veel verwerkende bedrijven trouwens contracten met hun leveranciers.
De landbouworganisaties eisen meer transparantie.
Ik weet dat onder auspiciën van federaal landbouwminister Laruelle interessante gesprekken gevoerd zijn over de contractuele landbouw. Voor de rest zijn het de deelsectoren die moeten uitmaken in welke mate en hoe zij meer prijstransparantie tot stand willen brengen. De 26 brancheorganisaties die bij Fevia aangesloten zijn, zouden het niet appreciëren indien ik hierover een generiek standpunt ventileer in de pers.
De socialisten hebben een wetsvoorstel ingediend om abnormale prijsstijgingen aan banden te leggen. Een goed idee?
Ik heb even geglimlacht toen ik dat voorstel onder ogen kreeg. Als oppositiepartij is het makkelijk om zo’n idee te lanceren, maar hoe moet je bepalen vanaf wanneer een prijsstijging een ‘abnormaal’ karakter heeft? Ligt de grens op een percentage van twee procent boven de inflatie? Dan zou je in elk geval de invoer moeten verbieden van alle landbouwgrondstoffen die veel sterker in prijs gestegen zijn. Kortom, het gaat om een leuke statement van sp.a, maar het voorstel is in de praktijk onhaalbaar.
In 2006 groeiden de omzet, productie, investeringen en export van de Belgische voedingsindustrie. Toch was het een slecht jaar op het vlak van rendement. Hoe rijm je het ene met het andere?
2005 was een jaar met een schitterende rendabiliteit. Daardoor is het ondernemersvertrouwen gegroeid, met een toename van de investeringen tot gevolg. Niemand heeft echter de stijgende productiekosten voelen aankomen. Hoewel onze bedrijven op het vlak van productie en export vorig jaar heel goed scoorden, hebben de winstmarges dus wel een flinke deuk gekregen. Maar voor de rest is de voedingsindustrie gezond: uit analyses van de Europese markt blijkt dat de toegevoegde waarde van onze geëxporteerde voedingsproducten hoger is dan het voedsel dat we importeren. We slagen er ook in om ons globaal marktaandeel in Europa te verhogen. In eigen land zijn we na de technologie- en chemische sector de belangrijkste industrietak, met een aandeel van 3,5 procent in het bnp. Ter vergelijking: de land- en tuinbouw is goed voor ongeveer één procent. Terwijl in de industrie de tewerkstelling daalt, slagen wij er in om die op peil te houden door innovatieve voedingsproducten op de markt te brengen die de taken van de huisvrouw overnemen. Waar mogelijk doen de boeren trouwens precies hetzelfde. Denk maar aan de sla met kluiten die extra lang houdbaar is. Een schitterende innovatie…
Welke deeltakken in de voedingsindustrie boeren goed en welke doen het minder goed?
Het is geen geheim dat de bedrijfstakken die het dichtst bij de landbouw aansluiten het niet makkelijk hebben om als gevolg van het wijzigende landbouwbeleid hun marges op peil te houden. De crisis in de suikerindustrie is daar een pijnlijk voorbeeld van. Andere sectoren doen het dan weer uitstekend. Dat is bijvoorbeeld het geval voor de brouwerijen die er vlot in slagen om het Belgisch bier te exporteren. Ook de producenten van bereide maaltijden boeren goed, net als de aanbieders van gemaksvoeding zoals voorgesneden vleeswaren. In onze branche moeten we ermee leven dat consumenten nooit grotere volumes gaan eten. Enkel door de creatie van toegevoegde waarde kunnen voedingsbedrijven de broodnodige groei creëren.
Heeft de Vlaamse voedingsindustrie in het verleden wel genoeg geïnnoveerd?
Je moet er bewust van zijn dat het niet makkelijk is om nieuwe producten in de markt te zetten. Onze voedingsbedrijven krijgen innovaties zoals nieuwe verpakkingsmaterialen aangereikt van andere industrietakken, maar we moeten die dan nog wel ingang doen vinden bij de consumenten, die van nature wantrouwig staan tegenover vernieuwing. Denk maar aan de introductie van genetisch gewijzigde organismen. Daarnaast zijn innovaties ook erg duur, zeker voor de vele kleine en middelgrote bedrijven van onze sterk versnipperde voedingsindustrie. Daarom was het belangrijk dat we er twee jaar geleden met de oprichting van Flanders’ FOOD in geslaagd zijn om een platform te creëren zodat ook deze bedrijven toegang krijgen tot de nodige kennis en technologie. Uit een recente enquête is gebleken dat het aandeel van voedingsbedrijven met een eigen researchafdeling sinds 2005 gestegen is van zestig naar tachtig procent. Wat natuurlijk nog niet betekent dat we ons nu kunnen spiegelen aan Danone of aan de innovatiebudgetten die gangbaar zijn in Nederland.
Flanders’ FOOD lanceerde in het voorjaar van 2006 zes innovatieve projecten, onder meer over het effect van gezondheidsbevorderende ingrediënten. Heeft dat intussen al concrete resultaten opgeleverd?
Die beginnen langzaam binnen te sijpelen, maar voor concrete innovaties moeten we allicht nog wachten tot 2009. Er lopen onder meer onderzoeken rond smaak, houdbaarheid, de reductie van vet, suiker, enzovoort. Het gezondheidsthema is zeker een topprioriteit. De markt van functionele voeding is sterk groeiend, waardoor fabrikanten van producten met een specifiek gezondheidsvoordeel door supermarktketens met open armen ontvangen worden opdat ze die kunnen lanceren onder private label. Anderzijds is de Europese verordening over gezondheidsclaims een limiterende factor. De procedures voor een claim op een totaal nieuw ingrediënt zijn zo zwaar geworden dat dit enkel nog spek voor de bek van grote multinationals is. De Vlaamse voedingsbedrijven zullen zich moeten toespitsen op algemeen erkende gezondheidsclaims waarvoor geen nieuw wetenschappelijk dossier moet ingediend worden. En dan moeten we ook nog hopen dat Europa straks geen claims verbiedt voor producten met een zogenaamd ’ongezond profiel’. Indien de producenten van chips of chocolade op hun verpakking niet meer zouden mogen vermelden dat hun product door een bepaalde ingreep een stukje gezonder gemaakt werd, zullen ze uiteraard niet meer investeren in minder verzadigde vetzuren en dergelijke. Dat zou een gemiste kans zijn.
Met welke gevoelens kijkt de voedingsindustrie naar de werking van het Voedselagentschap?
Eigenlijk beseffen we nu pas goed dat de sector tien jaar geleden op een vulkaan leefde. Bij incidenten waren meerdere inspectiediensten bevoegd, maar geen enkele was in staat om hierover deftig te communiceren. Vorig jaar vreesde ik er eerlijk gezegd voor dat de problemen met de ggo-gecontamineerde rijst uit de VS en het met dioxine besmette additief guargom uit India konden ontsporen tot exportbeperkingen. Maar deze incidenten werden door het agentschap vakkundig in de kiem gesmoord. Dat is belangrijk, want de helft van onze producten is bestemd voor de uitvoer. Positief is ook dat alle sectoren op hun eigen verantwoordelijkheid gewezen werden via het systeem van de autocontrole. Nadeel in ons land is wel dat de bedrijven hiervoor een peperdure rekening moeten betalen. De sector financiert ruim 53 procent van het werkingsbudget van het Voedselagentschap, terwijl dat in Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, Nederland en Frankrijk gemiddeld slechts 20 procent is. Op basis van documenten die circuleerden op het ogenblik dat Leterme nog formateur was, hebben we begrepen dat op federaal vlak de wil bestaat om werk te maken van dit dossier.
In de beleidsnota Landbouw is samenwerking één van de pijlers. Hoe zit het met de samenwerking tussen de agrarische sector en de voedingsindustrie?
Op het vlak van voedselveiligheid hebben we na de voedselcrisissen van de jaren negentig samen fantastische resultaten geboekt. Rond gezondheidsthema’s zouden we ook nog intensiever kunnen samenwerken, bijvoorbeeld door de samenstelling van het veevoeder te wijzigen. De landbouw is de voorbije jaren op het vlak van samenwerking te veel aan de zijlijn blijven staan, terwijl de industrie toch zeventig procent van de landbouwgrondstoffen tot bij de consument brengt. Langzaam komt er wat meer toenadering: er zit een vertegenwoordiger van VLAM in de raad van beheer van Flanders’ FOOD en Piet Vanthemsche heeft ook al laten verstaan dat hij de dialoog met de voedingsindustrie wil aanknopen. In het recente verleden hebben de cichoreitelers kunnen profiteren van het succes van inuline. Allicht dienen zich in de toekomst nog meer gelijkaardige kansen aan in onze zoektocht naar innovaties op gezondheidsvlak.
Het imago van de landbouw is behoorlijk goed. Maar met welke ogen kijkt Fevia naar de ontwikkelingen in de agrarische sector?
Wat ons opvalt, is dat de landbouw in sneltreinvaart professionaliseert. Ik vind het een heel verstandige keuze dat Boerenbond resoluut de kaart trekt van de blijvers. Die strategische keuze vergemakkelijkt het onderling overleg omdat we nu steeds nadrukkelijker te maken krijgen met mensen met wie zaken te doen zijn. Als de sector dan ook nog wat marktgerichter leert denken en de gemiddelde marktprijzen op een relatief hoog niveau blijven, heeft de land- en tuinbouw in Vlaanderen zeker een mooie toekomst.
Wat zijn de belangrijkste uitdagingen voor de voedingsindustrie?
Naast het gezondheidsthema is dat ongetwijfeld de tewerkstelling. We gaan samen met de onderwijswereld initiatieven nemen opdat de werknemers met het juiste profiel weer de weg vinden naar onze voedingsbedrijven. Een andere uitdaging is het debat over duurzame voedingsproducten. Een slecht voorbeeld is de hele hetze die in Nederland ontstaan is rond scharreleieren. We moeten ervoor zorgen dat het kind niet met het badwater weggegooid wordt en dat de consument er uiteindelijk nog iets van begrijpt. In ons land leefde een tijdje geleden de idee om een taks te heffen op verpakkingen, waarbij helemaal vergeten werd dat die ook functionele toepassingsgebieden op het vlak van onder meer veiligheid en bewaring hebben. We kanten ons niet tegen milieuvriendelijke projecten, maar die moeten dan wel kaderen binnen een doordachte visie en strategie.