"Handelsliberalisering moet goed voorbereid zijn"
nieuwsOp de topontmoeting van zo'n tachtig Europese en Afrikaanse regeringschefs in Lissabon zal het er achter de schermen gespannen aan toe gaan. Bij de Afrikaanse leiders leeft er grote bezorgdheid over de handelsakkoorden waarop Europa aandringt. De vrees is dat ze hun grenzen te snel moeten openen voor Europese producten. Niet tekenen is voor velen geen optie, want dan kunnen ze de facto niet meer exporteren naar Europa. Om juridische redenen moet voor 31 december de vrijmaking van de handel in goederen ondertekend worden, andere afspraken over diensten en regionale samenwerking zijn voor later. Marc Maes van 11.11.11. bekijkt het met argusogen.
Wat opvalt in uw kritiek op de EPA's, is dat u de modaliteiten bekritiseert, niet het principe van liberalisering. Marc Maes: Wij zijn het eens met de Europese Commissie en consoorten dat handel een instrument van ontwikkeling kan zijn. De liberalisering van de handel kan bijdragen tot ontwikkeling. Alleen zeggen wij voortdurend dat handelsliberalisering iets is wat zeer goed moet voorbereid zijn, omringd met allerlei begeleidende maatregelen, en afgestemd op de draagkracht van landen. We verwijzen daarbij graag naar de 'enabling clause' van de GATT uit 1979. Die zegt dat er bij alle afspraken een onderscheid gemaakt mag worden tussen rijke landen, ontwikkelingslanden en de minst ontwikkelde landen. Het principe van 'gedifferentieerde behandeling' is een uitzondering op de algemene regel van gelijke behandeling van alle WTO-lidstaten. Economische belangen walsen die gedifferentieerde behandeling geregeld plat, maar in de WTO wordt het spel tenminste duidelijk gespeeld: iedereen zit daar om voor zichzelf zo veel mogelijk in de wacht te slepen. Door een verschil in economische sterkte en onderhandelingscapaciteit is wat uit de WTO komt, altijd meer een reflectie van de belangen van het Noorden dan van de belangen van het Zuiden. Toch zijn de ontwikkelingslanden steeds beter georganiseerd, gegroepeerd afhankelijk van gezamenlijke belangen. Door samen te werken, staan ze sterker. De ontwikkelingslanden zijn steeds beter in staat voorstellen van het Noorden tegen te houden. Dat de Doharonde zolang duurt, komt doordat de VS en de EU niet langer alles onder elkaar kunnen regelen.
Kunnen de ontwikkelingslanden in de EPA's dan geen vuist maken tegen Europa? Hier staat een blok van rijke landen tegen een groep van arme landen. Dat blok van rijke landen is goed georganiseerd, institutioneel sterk, economisch machtig. De groep arme landen hangt veel losser aan elkaar, met diverse subregio's. Het grote probleem met de EPA's is dat ze gebaseerd zijn op het artikel 24 van de GATT. Dat artikel laat WTO-leden toe om onder elkaar handelsakkoorden te sluiten, op voorwaarde dat het om een zeer diepe liberalisering gaat. Dat artikel was nodig om de uitbreiding van de Europese Unie mogelijk te maken. Met toekomstige lidstaten sluit Europa vrijhandelsakkoorden die uitmonden in lidmaatschap. Maar dat artikel 24 wordt meer en meer oneigenlijk gebruikt. Bijvoorbeeld als strategie tegen regionale integratieprocessen elders. Zo heeft Europa een akkoord met Mexico afgesloten op het moment dat de VS, Canada en Mexico het Nafta-vrijhandelsakkoord sloten. En nu gebruikt men het tegenover de ACP-landen, terwijl artikel 24 niet in een gedifferentieerde behandeling voorziet.
De Europese Commissie belooft wel asymmetrie. De Europese grenzen gaan volledig open, terwijl de ACP-landen nog een aantal producten mogen beschermen. Ook zijn er lange overgangsperiodes. Artikel 24 kan op verschillende manieren geïnterpreteerd worden. Er staat in dat de belemmeringen, de tarieven op 'vrijwel alle' handel afgeschaft moeten worden. Wat 'vrijwel alle' handel betekent, is niet bepaald. De Europese Commissie heeft daar een zeer strikte interpretatie voor. Zij zegt minstens 90 procent. Voor de EPA's zegt de Commissie dat Europa 100 procent doet, zodat de ontwikkelingslanden 80 procent kunnen doen, om samen op 90 procent uit te komen. In artikel 24 staat ook dat de overgangsperiode om tot die afschaffing te komen, tien jaar is, maar dat die verlengd kan worden in uitzonderlijke omstandigheden. De Commissie heeft jarenlang gezegd dat dit 25 jaar kon zijn. En nu puntje bij paaltje komt, blijkt dat de Commissie eist dat minstens 80 procent wordt geliberaliseerd door de ontwikkelingslanden in 15 jaar. Het klopt dus als de Commissie zegt dat er nog producten uitgezonderd kunnen worden. Als wij in onze campagne het voorbeeld van de tomaten in Togo gebruiken, zegt de Commissie dat Togo de tomaten buiten het akkoord kan houden. Dat is juist, maar er is ook nog melk, graan, en zoveel andere dingen. De uitzonderingen worden bepaald door dit artikel, niet door de economische realiteit.
Als je kijkt naar alle ontwikkelingslanden die zich de jongste decennia hebben opgewerkt, blijkt dat dit altijd is verlopen via liberalisering. De ACP-landen staan echter op de rem in plaats van mee te werken. Dat ze afremmen, is zeer terecht. Ze zijn nog niet klaar. Al die voorbeelden van geslaagde liberalisering, zijn voorbeelden van landen die jarenlang door een doorgedreven beleid, met bescherming, een zeker niveau van competitiviteit bereikt hebben. Eerst werd geïnvesteerd, dan werd de handelsbescherming afgebouwd. Hun liberalisering is bovendien autonoom, in hun eigen tempo.
Afrika krijgt toch ook tijd? Een overgangsperiode tot 25 jaar. Maar ze moeten wel nu al zeggen wat ze de komende 25 jaar doen. In welk tempo ze zullen liberaliseren. Welke producten tariefvrij kunnen worden ingevoerd. Terwijl ze meteen ook hun regionale integratie moeten uitstippelen en de regionale organisaties moeten opzetten. Het is te veel ineens. In West-Afrika poogt men een West-Afrikaans landbouwbeleid op te bouwen. Er zijn daar Sahellanden, landen aan de kust, een aantal meer ontwikkelde landen, met alle verschillende belangen, die proberen te integreren. Dat vergt heel veel moeite en tijd, dat weet men toch in Europa. De EU werkt daar al 50 jaar aan.
In West-Afrika zijn enkele van de minst ontwikkelde landen niet betrokken in de EPA's. Nigeria is ook niet betrokken, want enkel geïnteresseerd in olie-uitvoer. Daar is toch geen constructieve samenwerking? Toch wel. In West-Afrika werkt men al lang aan regionale integratie. Daarom is men zo lang meegegaan in deze onderhandeling. West-Afrika weigert echter zich te laten opjagen door de deadline van 31 december. En natuurlijk zijn er verschillende belangen, de Commissie maakt daar nu handig gebruik van. De regio wil niet tekenen, en dus sluit de Commissie met individuele landen interim-akkoorden over goederen. Met Ivoorkust en dan met Ghana. Die landen worden verplicht te ondertekenen, hoewel ze lid zijn van een douane-unie. Die unie, zoals de EU, bepaalt dat individuele landen geen handelsakkoorden mogen tekenen. Toch moeten ze.
Gelukkig voor de chocoladeproducenten. De chocoladeproducenten en de Franse eigenaars van cacaoplantages lobbyen zwaar voor deze akkoorden, ginder en hier in Brussel. Wat zien we de laatste maanden: in alle landen van Afrika waar een sterke Europese aanwezigheid is in de exportsector, wordt een gigantische druk uitgeoefend op de lokale regeringen om de EPA's te ondertekenen. In deze fase van de onderhandelingen heeft men ervoor gekozen de regio's te laten vallen, terwijl regionale samenwerking een van de voornaamste doelstellingen was. In diverse van de ACP-subregio's tekent men met individuele landen, het wordt een zootje. Gewoon omdat men blijft vasthouden aan de einddatum van 31 december en weigert alternatieven te zoeken. Hoe men volgend jaar de stukken terug aan elkaar zal lijmen, is mij een raadsel. Deze individuele akkoorden worden neergelegd bij de WTO en staan dus vast, je kan er niet meer op terugkeren. Stel dat Europa Ivoorkust verplicht de invoerrechten op melk te schrappen, maar andere landen van de West-Afrikaanse douane-unie zijn daar niet mee akkoord, dan moeten ze dat ofwel toch aanvaarden, ofwel de douane-unie afbreken.
De Afrikaanse landen willen de douanerechten behouden om hun begroting te spekken. Dat is toch geen argument? Tuurlijk wel. Welke Europese regering zou een akkoord tekenen waardoor ze tot 20 procent van haar fiscale inkomsten zou verliezen? Ontwikkelingslanden zijn zeer sterk afhankelijk voor hun inkomsten van douanerechten. Dat is het simpelste in landen met een informele economie. Wat moet er gebeuren? Die landen moeten hun fiscale basis verbreden en solider maken, wat niet makkelijk is. In de mate dat ze daarin slagen kunnen ze hun inkomsten uit douanerechten afbouwen, niet omgekeerd.
Het Commissielid voor Ontwikkelingssamenwerking, Louis Michel, zegt dat hij veel middelen heeft om het verlies aan douane-inkomsten op te vangen. Ten eerste heeft hij niet veel middelen. Ten tweede zegt de Commissie dat ze de 'netto fiscale verliezen' zal dekken. Wat wil dat zeggen? Hoe gaat men dat berekenen? Welke garantie geeft dat? Hoe lang? Beter zou zijn met die landen samen te werken zodat ze een fiscale hervorming kunnen doorvoeren, die duurzaam is. De landen zijn zeer bezorgd. En wat doen ze nu? Bij het opstellen van hun lijsten met producten die ze buiten de liberalisering houden, kiezen ze die producten die hun veel douanerechten opleveren, in plaats van producten die voor hun economie belangrijk zijn.(KS)