Opinie: " Geen discussie over de nood aan veenvervangers in potgrond en teeltsubstraten "
OpinieDe hoge milieu-impact van groencompost mag niet gelezen worden als een argument om het gebruik van turf te bestendigen. Dat verdient meer nuance, vindt professor Karen Vancampenhout, bodemdeskundige en koolstofexpert bij KULeuven. Samen met enkele andere auteurs kroop ze in haar pen.
De zomer van 2026 zindert nog na. Hittegolf na hittegolf kostte in ons land bijna 3.000 mensen voortijdig het leven en liet een spoor van vernieling achter in landbouwgebieden, bossen en natuur. Vooral de veengebieden betaalden een hoge prijs, met de brand in de Hoge Venen als pijnlijk symbool van hun kwetsbaarheid. Een goed moment om opnieuw stil te staan bij de ontginning van veen of turf voor potgrond en teeltsubstraten, een thema dat op 7 oktober aan bod kwam in VILT.
De titel van dat artikel, ‘Onderzoek brengt nuancering in het debat over turf en turfvrije potgrond’, kan echter de indruk wekken dat de noodzaak om veen te vervangen nog ter discussie staat. Dat is niet wat de aangehaalde studie in het 'Journal of Cleaner Production' aantoont. Integendeel: onderzoekers van de universiteiten van Wageningen en Gent vergeleken in een levenscyclusanalyse 12 substraten en 30 substraatmengsels, en zowel afzonderlijk als in mengsels gaat het gebruik van turf gepaard met een zeer hoge uitstoot van broeikasgassen, aanzienlijk hoger dan die van de meeste beschikbare alternatieven. De auteurs omschrijven veen daarom ondubbelzinnig als een ‘high-emission material’. Dat we vanuit klimaatoogpunt zo snel mogelijk van de turfgebaseerde substraten af moeten raken, staat dus -ook in deze studie- buiten kijf.
"Het gebruik van zwartveen scoort bijzonder slecht"
De studie onderzoekt niet alleen de klimaatimpact, maar ook de ruimere milieuimpact. Ook in die analyse scoort vooral het gebruik van zwartveen bijzonder slecht: na compost is het het meest milieubelastende teeltmateriaal van de 12 substraten. Bovendien is het niet evident om de milieuimpact van veendrainage en -extractie op landschapsschaal goed in kaart te brengen. Die blijft zelden beperkt tot het ontgonnen perceel, maar beïnvloedt de waterbeschikbaarheid, koolstofdynamiek, bufferende werking voor regenval- en temperatuursextremen, en esthetische, historische en culturele waarde van het hele landschap.
Dergelijke indirecte en ‘off-site’ effecten op ecosysteemdiensten zijn groot maar zeer moeilijk in cijfers af te wegen. Tenslotte behoren veengebieden tot de zeldzaamste en meest waardevolle ecosystemen ter wereld. Het verder opofferen van dergelijke habitats voor het winnen van een eindige grondstof terwijl er alternatieven beschikbaar zijn, is niet alleen ecologisch onverdedigbaar, maar staat ook haaks op de Europese ambities inzake natuurherstel. Dat sommige veenalternatieven eveneens een aanzienlijke milieu-impact hebben, maakt veen nog niet duurzaam. Het benadrukt veeleer de noodzaak om de productieprocessen en transportketens van die alternatieven kritisch door te lichten en verder te verduurzamen en te optimaliseren.
Compostering is een veel duurzamer alternatief dan het storten van groenafval
Het VILT-artikel wijst op de hoge klimaat- en milieu-impact van groencompost in de studie, een gevolg van hoge emissies tijdens het composteringsproces. De onderzoekers wijzen er echter zelf op dat daar nog aanzienlijke onzekerheden op zitten, en halen het verschil in circulariteit tussen veen en groencompost aan als een belangrijk punt voor verder onderzoek: veen bevat immers koolstof en nutriënten die gedurende eeuwen tot millennia in de bodem werden opgeslagen. Die uitstoot kan volledig worden vermeden door veengebieden intact te laten. Groencompost daarentegen valoriseert lokaal groenafval: de uitstoot die daarbij vrijkomt, werd relatief recent door planten uit de omgeving opgenomen en zou bij natuurlijke afbraak toch grotendeels terugkeren. Daarbij komt dat compostering een veel duurzamer alternatief is dan het storten van groenafval en kan bijdragen aan een lager gebruik van kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen.
Er is dus geen discussie: vanuit klimaat-, natuur-, landschappelijk en historisch perspectief behoort turf tot de meest problematische grondstoffen voor teeltsubstraten. Dat sommige alternatieven vandaag nog met grote milieu-uitdagingen kampen, verandert niets aan die vaststelling maar toont eerder hoe dringend de zoektocht naar verbeterde alternatieven en mengsels is: hun productieprocessen verdienen verdere optimalisatie, hun milieu-impact moet omlaag en de beschikbare data moeten beter. In een tijdperk van toenemende hittegolven, droogte en biodiversiteitsverlies kan de conclusie echter moeilijk anders luiden: de vraag is niet óf we van turf af moeten, wel hóe we die omslag zo snel mogelijk en zo goed en duurzaam mogelijk kunnen maken.
Met dit opiniestuk willen de auteurs een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat. De auteurs schrijven in eigen naam en zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.
De auteur:
Karen Vancampehout is bodemdeskundige en koolstofexpert bij KULeuven. De coauteurs zijn prof. Rudy Van Diggelen (expert veenecologie bij Universiteit Antwerpen), prof. Willem-Jan Emsens (veenecoloog bij KMDA en Universiteit Antwerpen), prof. Bart Muys (bosecoloog en expert klimaat en levenscyclusanalyse bij KU Leuven), Dr. Bas Van der Veken (expert landschappen en ecosystemen), Jan Bastiaens (historisch geograaf), prof. Maïka De Keyzer (milieuhistorica bij KU Leuven).